,

‘Marokkanen worden steeds Nederlandser’

Turkse en Marokkaanse Nederlanders van de tweede generatie lijken steeds meer op autochtone Nederlanders wat betreft normen en waarden. Wel blijven zij uit wantrouwen en druk van hun ouders de voorkeur geven aan sociale contacten met de eigen groep, wat integratie belemmert. Dat blijkt dinsdag uit onderzoek door de universiteiten van Tilburg, Nijmegen en Oxford, meldt de website Nieuws.nl.

In Nederland geboren Turken en Marokkanen kijken vaker Nederlandse televisie, lezen meer boeken en doen vaker aan ‘elitaire’ sporten als hockey en tennis dan de eerste generatie. Maar ze groeien niet in alles naar de autochtone bevolking toe. Zo bezoeken ze minder vaak musea en theaters, blijven ze achter bij het lezen van kranten en maken ze minder gebruik van sociale media, schrijft de website.

De verschillen tussen de eerste en tweede generatie Turkse en Marokkaanse Nederlanders worden juist groter.(Bron/ Lees verder: Nieuws.nl)

Er zijn 58 reacties

  1. Tarik
    Geplaatst op april 25, 2012 om 10:22 am uur.

    wtf heeft sport met nederlander zijn te maken stelletje sukkels-_-

  2. mohamed
    Geplaatst op april 25, 2012 om 11:12 am uur.

    Marokkanen doen meer aan tafeltennis. Is dat ook een elitaire sport???

  3. mohamed
    Geplaatst op april 25, 2012 om 11:14 am uur.

    Het artikel had ook zo kunnen beginnen:

    Marokkanen worden steeds Nederlandser

    Steeds meer Marokkanen wassen hun handen niet na een toiletbezoek. Dit komt door omgang met…en het lezen van kranten…

  4. Hijaabje
    Geplaatst op april 25, 2012 om 11:20 am uur.

    en druk van hun ouders de voorkeur geven aan sociale contacten met de eigen groep.

    Dit klopt niet, ik kies zelf met wie ik omga, ondanks dat gaat mijn voorkeur toch naar de Marokkanen, zelfde cultuur, zelfde denkwijze en karakter. Ik denk dat dat ook wederzijds is voor Nederlanders, Nederlanders trekken ook meer met elkaar dan met Allochtonen. Ouders doen er in dit geval er niet toe.

    Theaters en musea, je moet er maar net van houden. Dat is absoluut niet mijn ding en dat geldt kennelijk ook voor de rest van de Turken en Marokkanen.

  5. xatar
    Geplaatst op april 25, 2012 om 11:48 am uur.

    met andere woorden ze zijn pas blij als je een ongelovige wordt

  6. mohamed
    Geplaatst op april 25, 2012 om 12:33 pm uur.

    Integratie is voor mij niets anders dan de taal spreken, maatschappelijk deelnemen (lees: arbeid en betrokkenheid) en samenwerken. Of je daarbij een krant leest, in je blote kont loopt, gelooft of niet doet er in mijn visie totaal niet toe! Dus waar hebben het over of je moet hebben over cultuurverloochening en assimilatie. Dan praten over hele andere zaken.

  7. aklim22
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:04 pm uur.

    xatar zegt:
    met andere woorden ze zijn pas blij als je een ongelovige wordt

    waar staat dat dan als ze willen dat je geen gelovige bent dan verbieden ze moskees etc
    nederland is 1 van de tolererende land op de wereld hun zijn blij dat we meedoen aan activteiten nederlandse activiteien hocky korfbal etc

    ik vind het belachelijk dat je hun beledigd terwijl ze positief over ons praten wat wil je dan horen da mo veroordeelt is omdat hij 5 meisjes achter de raam heeft gezet of dat jassin een oude vrouwtje heeft berooft ongelovig denk na voor je iets zegt

  8. xatar
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:22 pm uur.

    aklim ze zullen zeker wel blij zijn met een ongelovige dan een gelovige moslim omdat zelfs de profeet dat heeft gezegd ze zullen pas ophouden als jullie ook zoals hun worden
    tolerantie is wel heel ver te zoeken in nl vooral tegen moslims
    aklim denk maar niet dat je ooit wordt geaccepteerd en noem je dit positief hahahahahah
    zoals een nederlander doen wat ben jij toch een sukkel

  9. aklim22
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:35 pm uur.

    ik weet niet of ik een sukkel ben ik weet dat ik altijd met rust ben gelaten iedereen doet normaal tegen mij op het werk in de wijk met sporten en haal de profeet er niet elke keer bij, en de tolerantie is wel ver te zoeken tegen moslims begrijpelijk nederlanders worden wakker he, zoals de meeste ouders die uitkeringewn trekken en zeggen de nederlanders zijn honden dit dat zus zo maar wel uitkeringen trekken terwijl ze de gezondheid van een stier hebben en dan lopen ze in de stad 8 meter achter hun vrouw omdat ze hun eigen schamen en welke moslims heb je het over intolerantie is tegenover de KUTMAROKKANEN SPUUG IK OP MET MACHINE GEWEREN ALLES ZUIVEREN IN KANELENEILANDEN AMSTERDAM ROTTERDAM OVERAL GADVERDAMME WELKE MOSLIMS

    OHHHHHHHHHHHH JE BEDOELD MAROKKANEN DIE NIET TOLLEREN DAT HUN VROUW KINDEREN TEGENSPRAAK HEBBEN HUN KINDEREN IN ELKAAR RAMMEN EN ALLEEN DINGEN UIT DE KORAN IN HUN HOOFD STOPPEN DIE GOED VOOR HUN UITPAKKEN

    SORRY HOOR MARR FLIKKER MAAR OP ALS JE HET HIER NIET BEVALT OKE

  10. aklim22
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:41 pm uur.

    WELKE MOSLIMS OJA JE BEDOELD DE MAROKKANEN DIE NEDERLAND HEBBEN GESLOOPT WAT DE HOLLANDERS HEBBEN OPGEBOUWD

  11. mohamed
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:42 pm uur.

    Hee Xatar:

    Ik ben het eens met Aklim. Er wordt nergens gezegd dat je ongelovig moet zijn. Integratie staat wat mij betreft los van geloof; zie mijn eerdere definitie van integratie. Dus Xatar, kom maar met een beter argument.

    Het is overigens wel hypocriet om sexueel extremisme te omarmen, maar strenggelovigen te verachten. Beiden mogen van mij er zijn, zolang de ene de andere in zijn waarde laat. Is het niet zo dat dat ook een Islamitische waarde is? Wat betreft geloven of niet geloven, zou ik je graag willen verwijzen naar Soera Elkafiroen(ongelovigen) waarin uitdrukkelijk wordt gezegd dat iedereen zijn geloof heeft en dat je elkaar niet over en weer hoeft te overtuigen. De keuze is eenmaal gemaakt. Corrigeer mij als ik het verkeerd heb….

    Word geen sexueel extremist:-)

  12. aklim22
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:44 pm uur.

    MET HUN VIEZE OPSCHEERTJES EN TRAININGSPAKKEN LOPEN ROND ALSOF ZE ALLAH ZIJN JE BENT HIER TE GAST SCHOOIER ANDERS WAS JE NOU SCHAPEN AAN HET HERDEN ALS JE GELUK HAD ANDERS GAF JE DE VLIEGEN KOPSTOTEN VAN DE HONGER EERST HEEFT HOLLAND JE MAAGJE GEVULD EN VAN JOU EEN NETTE SCHOONE SLIMME MAN GEMAAKT DAN GA JE ZO DOEN GA DAN NAAR MAROKKO DAN GA DAN

  13. aklim22
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:45 pm uur.

    MOHAMED JE HEBT GELIJK MENSEN PRATEN ZONDER TE DENKEN

  14. aklim22
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:47 pm uur.

    IK BEN HIER GEBOREN GETOGEN EN ZAL HIER STERVEN VALT 1 LAND NEDERLAND AAN DAN VERDEDIG IK HET MET MIJN BLOED VECHT TOT HET EINDE

  15. mohamed
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:49 pm uur.

    Hoi Aklim,

    Ik lees nu pas jouw heftige bericht. Waarom ben je zo boos? Wat is er gebeurt? Je praat net als dhr Wilders. Je bent toch niet zijn blonde zoon? Op een paar punten geef ik je gelijk; er zijn nu eenmaal Marokkanen in achterstandswijken (zelfde als kampers- en tokkiewijken) die voor moeilijkheden zorgen. Maar iedere Marokkaan/Moslim uitmaken voor gespuis gaat mij veel te ver. Ik zou zeggen ga eens praten met je pa, je ma, een buurtwerker en een Hollandse man of vrouw die een nuchtere kijk heeft op hoe mensen en dus ook Marokkaanse moslims in Nederland leven en hoe het komt dat er nog steeds integratieproblemen zijn. Dan zul je zien dat de wereld anders is dan je denkt. Ik heb hetzelfde meegemaakt. Laat je niet gek maken, maar zoek hulp. Allah is with you!

  16. Tarik
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:49 pm uur.

    nederland is 1 van de tolererende land op de wereld

    bewaar deze voor 1 april het was toch een grap nederland is vol met racisten nederland is zeer intolerant in deze tijd tegen moslims en menssen uit oost-europa nederland heeft haar tolerantie al lang verloren ze schelden er op los ze zeggen dit dat maar kenis is er niks to vinden in hun brain

  17. Tarik
    Geplaatst op april 25, 2012 om 2:57 pm uur.

    Nederlanders zijn racisten kijk

    zuid-sudoen(crhist) vs soedan(islam)

    alle nederlanderse kieze meteen voor zuid-sudan en schelden e president van soedan uit maar ze weten niet eens waar de oorlog over gaat en waarom die oorlog er is ze hebben helemaal geen kenis hoe kan je nou een kant kiezen van een oorlog terwijl je geen kenis hebt van beide kanten sommigen zag ik zeggen dat zuid-soedan blanke zijn en schelden soedan uit voor zwarte ze weten zelf niks over die landen

  18. aklim22
    Geplaatst op april 25, 2012 om 3:06 pm uur.

    JULLIE SPOREN NIET SORRY MAAR IK ZAL NIET MEER REAGEREN OP DEZE ARTIKEL WANT JULLIE KIJKEN NIET NAAR JULLIE EIGEN CIAO

  19. Henk el Ma……..
    Geplaatst op april 25, 2012 om 4:48 pm uur.

    Het is nog steeds gezellig onderling,maar begrijpt men dan nog steeds niet dat alleen de klootzakken van rechst hier garen bij spinnen ?

  20. rachid17
    Geplaatst op april 25, 2012 om 6:19 pm uur.

    vraag aan jou aklim22 , waarom voel jij je aangevallen ???

  21. maroc
    Geplaatst op april 25, 2012 om 9:17 pm uur.

    Nederland niet tolerant? HAHAHA

    Als Nederland niet tolerant is zouden ze de grens dicht doen voor allochtonen. Maar ik zie toch duizenden allochtonen naar NL komen, met de toestemming van NL! Dat 1 blonde gek nou zo veel roept wil nog niet zeggen dat heel Nederland meteen intolerant is.

    Waar Nederlanders niet meer tolerant tegen zijn, dat zijn die Marokkanen die problemen veroorzaken en ons een slechte naam geven.

  22. Jane Austen
    Geplaatst op april 25, 2012 om 10:10 pm uur.

    Ik ben zelf ook Marokkaanse, maar ik bezoek ook musea en theaters. En ik zie zat autochtone Nederlanders om mij heen die helemaal niets met musea en theaters hebben. Dus het klopt niet helemaal. Het hangt er maar net van af waar iemand van houdt.

  23. rachid
    Geplaatst op april 25, 2012 om 11:56 pm uur.

    aklim jij hebt echt stoere praatje achter je pc
    als je man bent moet je dat buiten zeggen want wat je nu op internet roept zal geen effect hebben
    wie heeft dit allemaal zo ver laten gaan dat bepaalde marokanen zijn ontspoort en in elke ras heb je rot appels ik schaam me daar niet voor iedereen zn leven nog wat als hollanders jongetjes verkrachten wordt dat snel in de dofpot gestopt als een marokaan scheet laat dan moet er kamervragen komen dat is nou de macht van de media laat je niet gek maken buitenlander blijft buitenlander je zal nooit geaccepteerd worden onthou dat en vooral als je moslim bent
    en dit is niet nieuw dit is al vanaf dat islam is ontstaan

  24. blanke hollander
    Geplaatst op april 26, 2012 om 10:19 am uur.

    Beste mocro nederlanders ik heb het al meerdere malen gezegd :
    Jullie hebben de koran daar geloven jullie heilig in want het is het woord van allah jullie bekritiseren niets van de koran ook niet de soera S: wordt geen vrienden met niet gelovigen ,maak alleen vrienden onder moslims ,een gelovige slavin als echtgenote is beter dan een ongelovige echtgenote , enz enz .hoe kan je nu julie is niets te verwijten zijn hier geboren maar jullie ouders wel .
    Hoe kan je nu met deze reges waarvan geen 1 moslim openlijk afstand neemt met goede bedoelingen in een land gaan SAMENLEVEN ? En dan nog zeiken dat autochtone nederlanders rascisten zijn ? Iedere moslim die geen afstand neemt van de bovenstaande regels is een rascist .
    Ik ben er nog geen 1 tegen gekomen die wel afstand neemt .En dan die onzin betreffende de soera
    om het zgn te verzachten ieder heeft zijn eigen geloof je hoeft elkaar niet te overtuigen neemt niet weg dat jullie koran regels jullie moslims opdragen om geen vrienden te maken met ongelovigen
    en alleen maar om te gaan met medemoslims. Iedere niet moslim is inferieur aan moslims .
    Hoe discriminerend wil je het hebben ?
    Hoe denk je dat het in de koppies van marokkaanse kinderen gaat de naar de koranschool gaan waar ze haarfijn het bovenstaande wordt onderwezen ?
    Denk je dat die later nog respect hebben voor niet moslims?
    Stel dat in de nederlandse wet zou staan niet moslims moet alleen maar vrienden zijn met niet moslims,ze mogen geen vrienden maken met moslims, als een niet moslim slavin trouwen is nog altijd veel beter dan een moslim vrouw. Voor moslims heeft het echter nog meer betekenis want die stellen de koran boven iedee wet

  25. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 1:54 pm uur.

    SORRY HOOR GEEF MIJN MENING EN DOE NIET STOER ALS IK STOER ZOU ZIJN EN MIJN EIGEN IK ZEG MIJN MENING OP STRAAT MENEER RACHID EN ZAL MIJN EIGEN VERDEDIGEN EN ER ZULLEN VEEL OPSCHEERTJES MET TRAININGSPAKKEN HARD DE GROND RAKEN IK ZAL DAN MIJN VECHTSPORT 5 MAAL PER WEEK GOLDEN GLORIE HELMOND ,UITOEFENEN
    MEESTE MENSEN BLAFFEN IKKE NIET EERSTE LINKS LINKS RECHTE HOEK LEVERSTOOT LOWCICK RECHTE STOOT LINKS RECHTS HIGHKICK EROVER HEEN OF EEN DUW TRAP IN HET GEZICHT MMA DOE IK SOMS ERBIJ VOOR DE FUN KEN EEN GREPEN TREK JE OOK NAAR DE GROND GA OP JE ZITTEN EN UITHALEN LEKKER UITLEVEN

    MAAR ZO BEN IK NIET WIL LIEVER PRATEN DEBATEREN MENING VERTELLEN EN NAAR DE ANDERE LUISTEREN WIL JE MIJ UITDAGEN KOM MAAR NAAR GOLDEN GLORIE HELMOND ROEP KEI HARD AKLIM ZAL IK MIJN EIGEN VOORSTELLEN KRIJGJE VAN MIJ HANSCHOENEN TOK SCHEENBESCHERMERS WIL JE ZONDER OKE HEB JE ZELF BIJ NOG BETER STAPPEN WE DE RING IN VERLIEZ IK KOM IK NOOOOOOOOOOOOOOOIT MEER OP DEZE SITE IS DIT EEN DEAL

  26. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 2:00 pm uur.

    De Nationale Raad voor Vrouwen in Egypte is woedend over een wetsvoorstel dat seks met overleden echtgenotes toestaat.

    Volgens het voorstel mag een man tot zes uur na de dood van zijn vrouw seks met haar hebben. De raad roept het parlement op het voorstel af te keuren.

    De indiener heeft zich mogelijk laten inspireren door de ideeën van een Marokkaanse moslimgeestelijke. Die stelde vorig jaar dat ‘afscheidsseks’ tussen man en vrouw is toegestaan. De kans dat het Egyptisch parlement met het voorstel instemt, wordt klein geacht.

    Scheiding
    De Nationale Raad voor Vrouwen ageert ook tegen een voorstel dat huwelijken met meisjes vanaf veertien jaar legaliseert.

    Vrouwenrechten staan in Egypte onder grote druk, nu een meerderheid van de parlementariërs uit orthodoxe moslims bestaat. Zij willen ook de wet terugdraaien die scheiding op verzoek van de vrouw mogelijk maakt, zonder toestemming van haar man.

    GADVERDAMME ZIEKE MAROKKANEN ZO BEN IK NIET JIJ WEL RACHID JIJ VERWELKOMT ZO’N MENSEN HIER IK BEN TEGEN ZWAAR TEGEN ZO’N VOLK MISBRUIK MAKEN VAN DE KORAN NERGENSSSSSSSSSSSSSSSS STAAT DIT ZOVEEL GELUL KIP ZONDER KOP

  27. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 2:02 pm uur.

    BLANKE HOLLANDER TROUWENS LEES DE KORAN EN KIJK OF HET ER STAAT NIET VAN INTERNET UITGAAN EERST LEZEN STAAT HET ERIN KOM DAN TERUG

  28. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 2:14 pm uur.

    1. Mensenrechten volgens Koran en Sunnah [ 1,2,3 ]

    1.1. Recht op leven

    De Koran stelt:

    “… dat jullie niemand mogen doden – wat God verboden heeft – behalve volgens het recht…” (Koran 6:151)

    Een mensenleven is heilig en onschendbaar, zonder onderscheid van ras, geloof, afkomst, nationaliteit, of wat dan ook. Net als in België worden op dit recht op leven een aantal wettelijke uitzonderingen gemaakt. Het gedeelte “behalve volgens het recht” betekent dat in sommige door de wet bepaalde gevallen doden niet bestraft wordt. Het sluit tegelijk uit dat mensen zelf het recht in handen nemen.

    Eén van de door de wet toegestane afwijkingen, betreft militairen in oorlogssituaties. Surah 47 van de Koran grijpt de slag om Badr aan om een hele reeks principes van oorlogsvoering in te voeren opdat Muslims ook in zulke situaties zich niet naar willekeur zouden kunnen gedragen maar duidelijke richtlijnen zouden hebben waaraan zij zich moeten houden. Zo stelt de Koran dat Muslims nooit als eerste mogen aanvallen, maar enkel geweld mogen gebruiken om zich te verdedigen, en dan nog pas nadat alle andere mogelijkheden, zoals onderhandelingen, uitgeput zijn. Wanneer het toch tot een gevecht komt, mogen vrouwen, kinderen, ouderlingen, geestelijken (van alle godsdiensten), dieren, burgerconstructies, religieuze gebouwen, de oogst enz. geen schade oplopen. Komt het toch tot een gewapend treffen dan mag een Muslimsoldaat zich op grond van volgend vers wel verdedigen tegen een vijandige soldaat die hem wil doden. [4]

    “En wanneer jullie hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, sla hen dan dood, maar wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten, hetzij om hen los te laten kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. …” (Koran 47:4)

    Dit vers gaat niet over hoe men zich tegenover ongelovigen moet gedragen, maar gaat over wat er moet gebeuren in de strijd tegen een vijand, een vijand die bij de slag om Badr uit ongelovigen bestond – vandaar de verwijzing ernaar in dit vers. Het gaat hier om het vestigen van principes van de krijgswet. Zonder dit vers, zou een Muslimsoldaat zich op grond van vers 6:151, dat doden verbiedt, moeten laten doden. Vers 47:4 voert daarop een uitzondering in voor oorlogssituaties, maar stelt tegelijk dat van zodra de logistieke situatie het mogelijk maakt, men de vijand gevangen moet nemen in plaats van doden. Andere verzen stellen dat zodra de vijand de gevechten staakt en wil onderhandelen, Muslims daarin moeten meegaan.

    Dit soort verzen die op de krijgsleer slaan, zeggen uiteraard, net zoals bij ons, niets over hoe Muslims in het burgerleven moeten omgaan met elkaar en met niet-Muslims. Een uitgebreide analyse van de Koran en de Sunnah leert overigens dat Muslims andersdenkenden met respect, verdraagzaamheid, geduld, vriendelijkheid enz. moeten benaderen. [5] Elk leven is immers heilig, zowel dat van een gelovige als dat van een niet-gelovige, zowel dat van een autochtoon als dat van een immigrant. Over het doden van een gelovige stelt de Koran:

    “En wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding is in de hel, waarin hij altijd blijft. God is vertoornd op hem en vervloekt hem en maakt een geweldige bestraffing voor hem klaar.” (Koran 4:93)

    Maar ook van niet-Muslims is het leven onschendbaar. Zo stelde Profeet Mohamed over Dhimmis (de niet-Muslim burgers in een Islamitische samenleving):

    “Iemand die een Dhimmi doodt, zal zelfs niet de geur van het Paradijs ruiken.” (gemeld door At-Tabarani in Al-Awsat)

    Bovendien moet er op gewezen worden dat niet alleen het leven van een mens heilig is, ook dat van dieren. Muslims mogen dieren slechts doden om bepaalde redenen zoals het lenigen van honger – dus niet om stocks aan te leggen die achteraf vernietigd worden, niet voor hun pels, niet voor het plezier (jacht, spelen, gevechten) enz. Dieren die men doodt voor voedsel, moeten bovendien een waardig (fysisch, sociaal, emotioneel, …) leven gehad hebben en moeten pijnloos gedood worden. Het onrechtmatig doden van alle ademende wezens (mens of dier), is zelfs een van de hoofdzonden.

    “Vermijdt de zeven afschuwelijke dingen (hoofdzonden): polytheïsme (meergoderij), magie, het doden van ademende wezens! wat God verboden heeft behalve voor rechtmatige redenen” (Gemeld door Abu Huraira. Muslim)

    Ook schadelijk geachte dieren, zoals schorpioenen, mag men niet zomaar doden. En als men dan toch een dier moet doden voor het lenigen van honger, dan moet men eerst zeggen ‘In de Naam van God’, om zichzelf er nogmaals aan te herinneren dat alle leven heilig is en dat het schenden van het leven van een dier zonder dat daarvoor een wettige reden bestaat, een doodzonde is. De Koran en de Sunnah kennen een zeer uitgebreid stelsel van regels voor dierenrechten. [6] Als het leven van dieren al zo belangrijk is, hoe belangrijk is dan niet het leven van mensen?

    1.2. Recht op zuivere natuurlijke rijkdommen

    Met het recht op leven, hangen andere rechten samen, zoals het recht op zuivere natuurlijke rijkdommen om dat leven in stand te houden. Mohamed zei:

    “(Zelfs wanneer de wereld tot een einde komt) op de Dag des Oordeels, als iemand een palmscheut in zijn handen heeft, moet hij hem planten.” (Musnad of Ahmad, 5:440 en 3:184).

    Het in stand houden van het leven, is volgens de Koran en de Sunnah één van de hoofddoelstellingen van de aan de mensen toevertrouwde beheerstaak. Om het leven in stand te houden, moet men de natuurlijke rijkdommen (lucht, aarde, water, vegetatie) die het leven mogelijk maken, in zuivere staat bewaren voor de toekomstige generaties.

    Een juridische regel van de Islam zegt: ‘datgene wat leidt tot wat verboden is, is zelf verboden’. Alles wat, ook op de lange termijn die zich uitstrekt tot de volgende generaties, tot vernietiging van het leven leidt (en daar behoort milieuvervuiling toe) is daarom verboden. Omgekeerd, is het behoud van zuivere lucht, zuiver water,… een verplichting.

    1.3. Recht op bezit

    De Koran leert dat alles eigendom van God is:

    “Van God is wat er in de hemelen en wat er op de aarde is…” (Koran 2:284)

    God gaf mensen de toestemming zijn bezit te gebruiken:

    “… en geeft hun iets van Gods bezit dat Hij aan jullie gegeven heeft…” (Koran 24:33)

    Islam erkent daarmee het menselijk recht op bezit, maar stelt meteen dat dit recht niet absoluut is. Alles blijft uiteindelijk God toebehoren. Het recht op bezit wordt daarom gekoppeld aan de voorwaarde dat met dit bezit omgegaan wordt volgens de richtlijnen van God. Deze kaderen binnen het algemene Koranische principe van het “gebieden van het behoorlijke en verbieden van het verwerpelijke” (Koran 3:110). Meer bepaald, moet het verwerven van het bezit op een wettelijke manier gebeuren (door werken, erven, handeldrijven), en niet op een onwettige manier (zoals door diefstal, frauderen, het incasseren van woekerinteresten of bedrog) :

    “En weegt met de juiste weegschaal. En doe de mensen niet te kort in de dingen die van hen zijn …” (Koran 26:182)

    Muslims mogen bezit evenmin aanwenden voor onwettige zaken, zoals het deelnemen aan kansspelen, consumeren van alcohol enz. Volgens de Koran leiden dat soort zaken immers alleen maar tot vijandigheden tussen de mensen.

    “Jullie die geloven! De wijn, het kansspel, de offerstenen en de verlotingspijlen zijn een gruwel van satans makelij. Vermijdt die dus; misschien zal het jullie welgaan. De satan wenst slechts vijandschap tussen jullie te veroorzaken door de wijn en het kansspel en door jullie van het gedenken van God en van de slaat af te houden. Zullen jullie dan ophouden?” (Koran 5:90-91)

    Met bezit gaat men niet lichtzinnig om: Muslims mogen niet verspilzuchtig zijn, maar mogen evenmin gierig zijn.

    “De verspillers zijn broeders van de satan en de satan is jegens zijn Heer ondankbaar.” (Koran 17:27)
    “… weest niet verkwistend. Hij bemint de verkwisters niet.” (Koran 7:31)

    “Zij die gierig zijn met wat God hun van Zijn goedgunstigheid gegeven heeft, moeten niet denken dat het goed voor hen is.” (Koran 3:180)

    Belangrijk is vooral ook dat bezit niet onbeperkt is maar sociaal gecorrigeerd wordt via een systeem van zowel verplichte als sterk aangemoedigde, vrijwillige liefdadigheid zodat de weelde van de rijken ten dele aangewend wordt om al de behoeftigen te steunen.

    “Jullie die geloven! Geeft ook bijdragen van de goede dingen die jullie verworven hebben en ook van wat Wij voor jullie uit de aarde hebben voortgebracht….” (Koran 2:267)

    “Hun werd slechts bevolen God te dienen en daarbij als aanhangers van het zuivere geloof de godsdienst geheel aan Hem te wijden en de salaat te verrichten en de zakaat te geven.” (Koran 98:5)

    De Koran en Sunnah stelden daarmee een sociale correctie van het economisch gebeuren in.

    Volgens Profeet Mohamed is het uiteindelijke gevolg van het toepassen van deze en andere richtlijnen dat de levensstandaard van iedereen zodanig zal verhogen dat niemand nog bijstand nodig heeft.

    “Ik hoorde de Profeet zeggen: “O mensen! Geef in liefdadigheid omdat er een tijd zal komen dat men zal rondlopen met het voorwerp van zijn liefdadigheid, en niemand zal vinden om het aan te nemen, en dat diegene (aan wie men vraagt om het aan te nemen) zal zeggen, “Had je het gisteren gebracht, dan zou ik het aangenomen hebben, maar vandaag heb ik het niet nodig.” (Bukhari, gemeld door Haritha bin Wahab)

    De Koran en Sunnah erkennen verder zowel het recht op privébezit als op staatsbezit (voor zaken van algemeen belang zoals water), en dit zowel voor mannen als voor vrouwen (een vrouw kan voor eigen rekening handel drijven, kan erven, kan uit werken gaan enz.), als voor Muslims of niet-Muslims.

    De kijk op bezit houdt door het geheel aan richtlijnen het midden tussen kapitalisme en socialisme.

    Al voorziet de Koran in een recht op bezit, en voorkomt het grote extremen door het herverdelen van de rijkdom, toch wordt er ook aan herinnerd dat het leven niet draait rond het verwerven van materiële rijkdom. Profeet Mohamed zei:

    “Rijkdom ligt niet in de overvloed van (wereldlijke) goederen maar rijkdom, is de rijkdom van de ziel (het hart, het zelf). (Muslim, gemeld door Abu Hurayrah)

    Het is tevens belangrijk hier even stil te staan bij de houding van de Koran en de Sunnah tegenover rijkdom. Aan rijkdom, heeft men volgens dit model geen enkele persoonlijke verdienste, alle rijkdom komt van God:

    “En welke weldaad jullie ook toevalt, het komt van God.”(Koran 16:53)

    God kan daar evenwel verschillende bedoelingen mee hebben. Het kan een goddelijke genade zijn, het ontbreken van ongeluk kan echter ook een test zijn, of zelfs een teken van Gods ongenoegen:

    De Profeet zei: “Wanneer God iets goed wil voor zijn dienaar, spoedt Hij zich om zijn bestraffing teweeg te brengen op deze wereld, en wanneer Hij geen goed voor hem wenst, houdt hij de bestraffing in tot wanneer hij voor zijn zonde aangesproken wordt op Oordeelsdag.” (Tirmidhi)

    Rijken kunnen dan ook niet beweren dat hun welstellendheid een teken is dat God aan hun kant staat, en kunnen zich niet op hun rijkdom beroepen om zich meer te achten dan een ander of om een leidinggevende plaats af te dwingen. [7]

    1.4. Recht op veiligheid en bescherming van leven en bezit

    De Koran en Sunnah beschouwen leven en bezit als een recht. Men heeft dan ook het recht op bescherming van beiden. In zijn afscheidsrede zei Profeet Mohamed:

    “Jullie levens en bezittingen zijn voor elkaar verboden tot jullie bij de Heer komen op de Dag van de Wederopstanding.”

    Zoals reeds gemeld bij de behandeling van de rechten van minderheden kent de Koran dit recht niet alleen toe aan Muslims maar ook aan niet-Muslims.

    “Op de Dag van het Oordeel zal ik twist leveren met iedereen die een persoon van onder de Mensen van het Convenant onderdrukt, zijn rechten breekt, die hem verantwoordelijkheden geeft die zijn krachten te boven gaan, of die hen iets ontneemt tegen hun wil.” (Gemeld door Abu Dawood).

    De Koran bespreekt herhaaldelijk het respecteren van elkaars bezittingen:

    “Verteert niet onderling door bedrog elkaars bezittingen …” (Koran 2:188)

    “Jullie die geloven! Verteert niet onderling elkaars bezittingen door bedrog, behalve als het om handel met wederzijdse instemming gaat, en doodt elkaar niet. God is voor jullie barmhartig. Wie het in overtreding en onrechtmatigheid toch doet, die zullen Wij in een vuur laten braden, dat is voor God gemakkelijk. En als jullie de ernstige vergrijpen vermijden die voor jullie verboden zijn, dan zullen Wij de slechte van jullie daden kwijtschelden en jullie een voortreffelijke binnenkomst bezorgen. ” (Koran 4:29)

    “Geeft de wezen hun bezittingen, ruilt het onbetamelijk niet in voor het goede en verteert hun bezittingen niet samen met jullie eigen bezittingen; dat is een grote zonde.” (Koran 4:2)

    “Zij die de bezittingen van de wezen onrechtmatig verteren, verteren slechts vuur in hun buik en zij zullen in een vuurgloed braden.” (Koran 4:10)

    Tenzij het op wettelijke wijze gebeurt (bijvoorbeeld door erfenis of handeldrijven), heeft niemand recht op het bezit van een ander. Het is goed hier even aan te stippen dat volgens de Koran en de Sunnah deze onschendbaarheid van bezit ook binnen een huwelijk geldt, zodat een man op geen enkele manier aanspraak kan maken op het roerend en onroerend bezit van zijn echtgenote. [8]

    Het gevolg van het als heilig beschouwen van leven én bezit, betekent dat men zich ook mag verweren tegen schending van beide rechten. Men heeft dus het recht niet alleen het leven maar ook het bezit te verdedigen tegen een aanval erop.

    Abu Hurayah meldde: Een man kwam bij de Boodschapper van God en vroeg: “O Boodschapper van God! Wat zal ik doen als iemand naar mij toekomt met de bedoeling mijn bezit weg te nemen?” Hij antwoordde, “Geef het hem niet.” De man vroeg, “Wat zal ik doen als hij mij bevecht?” De Boodschapper van God zei, “Verweer je dan”. “Wat zal mijn plaats zijn in het Hiernamaals als hij mij gedood heeft?” De Boodschapper van God antwoordde, “In dat geval ben je een martelaar.” De man vroeg: “Wat als ik hem doodde?” De Boodschapper van God antwoordde, “Hij zal in het hellevuur zijn.” (Muslim)

    1.5. Recht op persoonlijke vrijheid (= afschaffen van slavernij)

    De Koran schaft slaverij af en voert het recht op persoonlijke vrijheid in. Profeet Mohamed zei:

    “Er zijn drie mensen tegenover wie ik zelf aanklager zal zijn op Oordeelsdag. Eén van deze drie, is hij die van een vrije man een slaaf maakt, hem dan verkoopt en dit geld opeet.” (Bukhari, Ibn Majjah)

    Verschillende van de hierna gedefinieerde rechten houden verband met het fundamentele recht op persoonlijke vrijheid van de mens, zoals zoals het recht op godsdienstvrijheid, op bescherming tegen arbitraire gevangenneming, en zo meer. Uiteraard geldt persoonlijke vrijheid enkel voor zover men zich binnen het wettelijke kader begeeft. Men kan zich niet op het recht op vrijheid beroepen om illegale of criminele daden te stellen.

    Omdat de Koran het over slavernij heeft, ontstaat wel eens het misverstand dat Islam het recht op persoonlijke vrijheid niet zou onderschrijven. Daarom is het nodig even stil te staan bij de in de Koran en de Sunnah besproken slavernij.

    Ten tijde van de prediking van Mohamed was slavernij een wijdverspreid gebruik, zowel bij Arabische stammen als bij Joden en Christenen. De Koran en de Sunnah hebben het er dan ook over, niet met de bedoeling de slavernij in te voeren, of te bestendigen, maar wel met de bedoeling de slavernij af te schaffen. Omdat het hier een diepgeworteld fenomeen betrof, kon de afschaffing ervan niet van de ene dag op de andere gebeuren, en voerden Koran en Sunnah een soort uitdovingsscenario in. De Koran bewandelde daarvoor verschillende sporen: er mochten geen nieuwe slaven meer bijgemaakt worden, vrijlating van slaven werd sterk aangemoedigd door er vergeving van zonden in het hiernamaals voor in het vooruitzicht te stellen, en in afwachting van het volledig verdwijnen van de slavernij, kregen slaven allerhande rechten en konden ze zelfs leider worden van de gemeenschap.

    – Islam moedigt vrijlating van slaven aan —

    Eén van de manieren waarop de Koran de slavernij snel deed verdwijnen, was door allerlei omstandigheden te laten vergezellen van de verplichting slaven vrij te laten. Wanneer men zich niet aan zijn eed hield, moest men een slaaf vrijlaten. Wanneer men per ongeluk een gelovige doodde, moest men een slaaf vrijlaten. Wanneer een man een vrouw waar hij eerder van gescheiden was, opnieuw wilde huwen, moest hij een slaaf vrijlaten.

    “… en als iemand per abuis een gelovige doodt, dan geldt de vrijlating van een gelovige slaaf …” (Koran 4:92)

    “God rekent jullie de onnadenkende uitspraken bij jullie eden niet aan, maar Hij rekent jullie aan waartoe jullie je in je eden verbinden. De verzoening ervoor is aan tien behoeftigen voedsel te geven zoals jullie gemiddeld aan je huisgenoten voedsel geven of het leden van hen of de vrijlating van een slaaf… ” (Koran 5:89)

    “Zie die zich dus van hun vrouwen scheiden (…) en dan terugkomen op wat zij zeggen, zijn verplicht tot vrijlating van een slaaf voordat zij elkaar aanraken.” (Koran 58:3)

    De Profeet greep ook allerhande omstandigheden aan, zoals een zonsverduistering, om Muslims op te dragen slaven vrij te laten:

    “Ongetwijfeld beval de Profeet de mensen slaven vrij te laten ter gelegenheid van een zonsverduistering” (gemeld door Asma, in Bukhari)

    Verder werd ook het vrijwillig bevrijden van slaven aangemoedigd. Er is bekend dat de gezellen van de Profeet tienduizenden slaven opkochten om hen vrij te laten.

    – Slaven krijgen rechten —

    Tegelijk met maatregelen die de vrijlating van slaven in de hand werkten en die er op een periode van 40 jaar zouden voor zorgen dat slavernij zo goed als volledig verdween, kenden Koran en Sunnah slaven een aantal rechten toe, waaronder het recht op een rechtvaardige behandeling. Voorheen, was de meester van slaven zowat immuun en kon hij met z’n slaven, die geen rechten hadden, doen wat hij wou zonder risico te lopen op vervolging. Mohamed sloeg dat roer radicaal om. Hij zei:

    “Hij die een slaaf doodt, zal zelf gedood worden, en hij die een slaaf verminkt, zal zelf verminkt worden.” (Tirmidhi)

    Slaven kregen het recht op een goede behandeling; ze kregen het recht samen met hun eigenaars te eten, en hadden recht op hun deel van het eten. Als er weinig voedsel voor handen was, moest de eigenaar van zijn part delen met zijn slaven. Mohamed zei:

    “Wanneer de slaaf van iemand onder jullie voedsel voor hem bereidt en het opdient na (de last ondergaan te hebben van) dicht bij de hitte en de rook te zitten, moet hij de slaaf samen met hem doen plaatsnemen en hem laten eten (samen met hem), en als er voedsel te weinig lijkt, moet hij een deel (van zijn eigen portie) voor de slaaf voorzien. (Muslim, gemeld door Abu Hurayah)

    Of ook:

    “Uw slaven zijn uw broeders en God heeft hen onder uw bevel geplaatst. Dus wie een broeder onder zijn bevel heeft moet hem te eten geven van wat hij eet en hem kleden van wat hij draagt. Vraag slaven geen dingen te doen die hun macht te boven gaan, en als je het toch doet, help hen dan” (Bukhari, gemeld door Narrated Al-Ma’rur – deel van langere hadith)

    Slaven kregen bovendien het recht deel te nemen aan de shura [overleg] en konden ook leider worden van de gemeenschap.

    De Profeet zei: “je moet naar je leider luisteren en hem gehoorzamen, zelfs al is hij een Ethiopische slaaf wiens hoofd de kleur van een rozijn heeft.” (Bukhari)

    Dit betekent dat wanneer zo’n slaaf politiek leider werd, de ‘meesters’ de slaaf moesten gehoorzamen.

    Slavernij in Koranische zin is dus helemaal niet wat men zich voorstelt bij taferelen van uitbuiting en misbruik van Afrikaanse slaven in Amerika. Maar de drastische verbetering van hun situatie was voor de Koran niet voldoende, want de Koran stuurde tegelijk aan op snelle en volledige afschaffing van de slavernij. Het is trouwens omwille van dit soort leerstellingen dat Mohamed op enorme tegenkantingen botste bij de machtige inwoners van Mekka, die in zijn sociaal-emanciperende leer een bedreiging zagen voor hun machtsposities. Uiteindelijk wilden ze Mohamed er zelfs voor doden, zodat hij met zijn gezellen de stad moest ontvluchten, richting Medina.

    – Islam verbiedt nieuwe slaven te maken —

    Als derde luik van de aanpak van slavernij, verbood Mohamed vrije mensen tot slaaf te maken:

    “Er zijn drie mensen tegenover wie ik zelf aanklager zal zijn op Oordeelsdag. Eén van deze drie, is hij die van een vrije man een slaaf maakt, hem dan verkoopt en dit geld opeet.” (Bukhari, Ibn Majjah)

    In samenhang met de combinatie van verplichte en vrijwillige maatregelen om slaven vrij te laten, leidde dit ertoe dat slavernij op een periode van 40 jaar zo goed als volledig verdween en dat een gemeenschap van vrije en voor de wet gelijke mensen ontstond.

    Uit dit alles blijkt dat de Koranische benadering van slavernij het recht op persoonlijke vrijheid niet wou beknotten, maar juist de bedoeling had deze vrijheid ten volle in te voeren door de slavernij geleidelijk te laten verdwijnen. In de overgangsperiode kregen de slaven al meteen een hele reeks rechten waardoor hun situatie radicaal verbeterde tegenover hun eerdere behandeling.

    1.6. Recht op bescherming tegen arbitraire opsluiting

    Het recht op persoonlijke vrijheid wordt ondersteund door het recht op bescherming tegen arbitraire opsluiting. De Koran stelt dat wie een zonde begaat, daar zèlf de gevolgen voor moet dragen, niet iemand anders.

    “En wie een zonde begaat, begaat die slechts ten koste van zichzelf. God is wetend en wijs.” (Koran 4:111)

    De Koran stelt verder:

    “Niemand is belast met de last van een ander en als iemand die zwaar beladen is oproept om [mee] te dragen, dan zal toch niets van hem gedragen worden ook al betreft het een verwant. …” (Koran 35:18)

    Dit vers maakt duidelijk dat niemand veroordeeld kan worden voor de misdaden van een ander. Dit betekent ook dat niemand gevangengezet kan worden tenzij zijn of haar schuld bewezen werd voor een open rechtbank. Iedereen heeft daarbij het recht zich te verdedigen tegen beschuldigingen.

    Het hele punt in de Islam is dat elke mens met een vrije wil geboren is (Islam kent geen erfzonde) en verantwoordelijk is voor zijn eigen daden. Op Oordeelsdag zal men verantwoording moeten afleggen voor alles wat men deed en naliet te doen. Daarvan zal afhangen hoe men het eeuwig leven zal doorbrengen, in de hemel of in de hel.

    1.7. Recht op gelijke rechten (= recht op bescherming tegen racisme en discriminatie)

    De Koran en de Sunnah leggen een stevige basis voor een wereldbroederschap van alle mensen, ongeacht ras, taal, huidskleur, geslacht, nationaliteit, rijkdom, of welk criterium ook. Een paar weken voor zijn dood hield Profeet Mohamed een preek die later bekend werd als zijn afscheidsrede. Hij overliep daarin de belangrijkste aspecten van de leer die hij jarenlang verkondigd had. Hij zei onder meer:

    “O mensen! Waarlijk jullie Heer is Eén en jullie vader (Adam) is één. Een Arabier is niet beter dan een niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; een blanke is niet beter dan een zwarte en een zwarte is niet beter dan een blanke – behalve in termen van vroomheid en goede daden”. (Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld door Imaam Ahmad, 22391, al-Silsilat al-Saheeh 2700)

    Enkel God kan oordelen over de godvrucht en de goede daden van de mensen. Daarom moeten alle mensen elkaar als gelijken beschouwen. Zelfs de meest godsvruchtigen vormen geen klasse apart. Die gelijkheid van de mensen wordt in de Koran verschillende keren beklemtoond. Zo wordt gesteld dat God dezelfde criteria zal gebruiken voor het beoordelen van alle mensen.

    Het verschil in talen, godsdiensten, enz. is gewoon een teken van God.

    “En tot Zijn tekenen behoren de schepping van de hemelen, en de aarde en het verschil in jullie talen en kleuren. Daarin zijn tekenen voor de wereldbewoners.” (Koran 30:22)

    Volgens de Koran heeft God met die verscheidenheid willen in de hand werken dat mensen elkaar leren kennen, niet dat ze elkaar zouden bestrijden.

    “O mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen…” (Koran 49: 13).

    Volgens een mooie Islamitische traditie zou God vóór het scheppen van Adam, Engelen over de aarde uitgestuurd hebben, met de opdracht om van de verschillende bodemkleuren, een staal mee te brengen. Al die stalen werden vermengd met water om uit de aldus ontstane klei Adam te scheppen. Dit verklaart de verschillende huidskleur van zijn afstammelingen:

    “God schiep Adam van een handvol stof dat Hij van de hele aarde nam: wat rode aarde, wat witte, wat zwarte, en wat mengeling, ook zachte, ruwe, goede en slechte.” (Abu Dawud, opgetekend door door Abu Musa al-Ashari)

    Profeet Mohamed, stelde dat alle mensen van alle tijden zo gelijk zijn aan elkaar als de tanden van een kam.

    “Waarlijk, mensen van het begin der tijden van Adam tot op vandaag zijn allemaal gelijk als de tanden van een kam, en er is geen superioriteit van een Arabier over een niet-Arabier of van de mensen met rode huidskleur over die met blanke huidskleur, behalve in godvrucht en goede daden.” (Bukhari, Mustadrak-ul-Wasa’il )

    Het is duidelijk dat volgens de Koran en de Sunnah alle mensen gelijk zijn voor de allerhoogste instantie, voor God. Ook mannen en vrouwen zijn elkaars gelijken. De historisch-culturele achteruitstelling die kenmerkend is voor de situatie van vrouwen in een aantal landen met overwegend Islamitische bevolking, vindt geen basis in de Koran en de Sunnah, waarin mannen en vrouwen als volledig gelijkwaardig voor God omschreven worden. In verschillende Muslimlanden zijn overigens vrouwenbewegingen actief die op grond van de Koran en de Sunnah een emancipatiebeweging voor de vrouwen op gang trekken. [9]

    Discriminatie op welke grond dan ook,wordt door de Koran verboden. Wie, zoals de Farao, de mensen in groepen opdeelt en één ervan onderdrukt, wordt door de Koran als verderfelijk omschreven:

    “Fir’aun had de overhand in het land en maakte de mensen ervan tot groeperingen, waarvan hij een groep onderdrukte (…); hij behoorde tot de verderfbrengers.” (Koran 28:4)

    Racisme, discriminatie, hoogmoed, worden door de Koran en Sunnah krachtig afgewezen en in verband gebracht met ongeloof en met Satan. Wie neerkijkt op de anderen, effent zijn weg naar de hel. [10]

    De Profeet zei: wie trots in zijn hart heeft gelijk aan het gewicht van een kleine atoom, zal nooit het Paradijs binnengaan. Iemand vroeg hoe het dan zit met een man die graag mooie kleren en fijne schoenen draagt, en de Profeet antwoordde: God is mooi en houdt van schoonheid. Dan legde hij uit dat trots betekent: het verwerpen van de waarheid omwille van eigendunk of het neerkijken op andere mensen. (Muslim).

    1.8. Recht op rechtvaardige rechtspraak

    Het Koranisch perspectief op de samenleving legt het accent op het tot stand brengen van een rechtvaardige samenleving. Muslims worden er voortdurend op gewezen dat ze rechtvaardig moeten handelen.

    “Zeg: “Mijn Heer heeft bevolen rechtvaardig te zijn…” (Koran 7:29)

    “God gebiedt rechtvaardig te handelen, goed te doen, en aan de verwanten giften te geven en Hij verbiedt wat gruwelijk, verwerpelijk en gewelddadig is. ..” (Koran 16:90)

    Deze bekommernis om rechtvaardigheid wordt doorgetrokken naar de rechtspraak. Muslims worden opgedragen rechtvaardig te zijn in hun oordeel:

    “God beveelt jullie in bewaring gegeven goederen aan de rechthebbenden te overhandigen en, wanneer jullie tussen de mensen oordelen, dat jullie rechtvaardig oordelen. Hoe goed is het toch, waarmee God jullie aanspoort. God is horend en doorziend.” (Koran 4:58)

    Ook wanneer het eigen belang erdoor geschaad wordt, moet men rechtvaardigheid nastreven:

    “Jullie die geloven! Weest standvastig in de gerechtigheid als getuigen voor God, al is het tegen jullie zelf of de ouders of de verwanten. Of het nu om een rijke of om een arme gaat, God staat hen beiden zeer na. Volgt dus niet je geneigdheid om niet rechtvaardig te zijn. Maar als jullie verdraaien of jullie afwenden, dan is God welingelicht over wat jullie doen.” (Koran 4:135)

    De Koran vermeldt uitdrukkelijk hoe men tegenover mensen van wie men een afkeer heeft of tegenover de vijand, rechtvaardig moet zijn. Geloven wordt hierbij omschreven als standvastigheid in het getuigen van rechtvaardigheid.

    “… En laat de afkeer van bepaalde mensen, omdat zij jullie de weg naar de heilige moskee versperren, jullie er niet toe brengen overtredingen te begaan, maar staat elkaar bij in vroomheid en godvrezendheid en staat elkaar niet bij in zonde en overtreding, maar vreest God. …” (Koran 5:2)

    “Jullie die geloven! Weest standvastig voor God als getuigen van de rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde mensen jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Weest rechtvaardig, dat is dichter bij godvrezendheid. En vreest God. God is welingelicht over wat jullie doen.” (Koran 5:8)

    Klassejustitie wordt door Mohamed nadrukkelijk afgekeurd. Op een dag werd een vrouw die tot een vooraanstaande familie behoorde gearresteerd voor diefstal. Haar zaak werd aan de Profeet voorgelegd, en er werd hem aangeraden de vrouw een bestraffing voor diefstal te besparen. De Profeet wou daar echter niet van horen, en maakte duidelijk dat de vrouw haar straf niet zou ontlopen. Hij zei:

    “Gemeenschappen die vóór jullie leefden werden vernietigd door God omdat ze de gewone man straften voor zijn overtredingen en hun dignitarissen ongestraft lieten voor hun misdaden.”

    Vooraanstaande figuren of leiders staan niet boven de wet. De grootste armoezaaier kan een leider tot de orde roepen.

    Rechtvaardigheid, ook in de rechtspraak, wordt in verband gebracht met het recht op correcte informatie. De Koran gebiedt een beschuldiging niet zomaar voor waar aan te nemen, maar zich eerst goed te informeren over de ware toedracht van de zaak.

    “Jullie die geloven! Als een verdorvene met een mededeling tot jullie komt, zorgt dan dat jullie duidelijke inlichtingen inwinnen, opdat jullie niet in onwetendheid mensen treffen en wroeging krijgen over wat jullie gedaan hebben.” (Koran 49:6)

    “En ga niet achter iets aan waarvan jij geen kennis hebt. Het horen, het zien en het hart, over al dat wordt verantwoording afgelegd.” (Koran 17:36)

    Men mag immers niemand opzettelijk onterecht beschuldigen.

    “En wie een fout of een zonde begaat en er dan iemand die onschuldig is van beschuldigt, die heeft een lasterlijke slechtheid en een duidelijke zonde op zich geladen.” (Koran 4:112)

    Omgekeerd, heeft vanuit de Koran iedereen het recht zich te verdedigen tegen onrecht.

    “God houdt er niet van dat openlijk over het slechte gesproken wordt, behalve als aan iemand onrecht is aangedaan. God is horend en wetend.”(Koran 4:148)

    1.9. Recht op bescherming van de privacy

    Ook privacy is een recht in de Islam. De Koran instrueert onder meer dat men altijd eerst toestemming moet vragen alvorens ergens binnen te gaan – men mag niet zomaar iemands huis binnenlopen.

    “Jullie die geloven! Gaat andere huizen dan jullie eigen huizen pas binnen als jullie gevraagd hebben of het gelegen komt en hun bewoners gegroet hebben. Dat is beter voor jullie; misschien zullen jullie je laten vermanen. En als jullie er niemand in vinden gaat er dan pas binnen als men toestemming geeft, maar als men tot jullie zegt: “Ga terug”, ga dan terug. Dat is zuiverder voor jullie; God weet wat jullie doen.” (Koran 24:27-28)

    “Jullie die geloven! Vermijdt vele vermoedens – sommige vermoedens zijn zonde – en spioneert niet en roddelt niet over elkaar….” (Koran 49:12)

    Tot het recht op privacy behoort het briefgeheim:

    “Wie zonder toestemming in de brief van zijn broeder kijkt, hij kijkt enkel in het Vuur (van de Hel) ” (Abu Dawood)

    In samenhang met het recht op bescherming van de privacy, wordt elkaar bespioneren, roddelen, het gebruiken van aanstootgevende scheldnamen en het belachelijk maken van anderen, zwaar afgekeurd:

    “Jullie die geloven! Vermijdt vele vermoedens – sommige vermoedens zijn zonde – en spioneert niet en rodelt niet over elkaar….” (Koran 49:12)

    “Jullie die geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien zijn zij juist beter dan zij! (…) En maakt geen aanmerkingen op elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen…. ” (Koran 49:11)

    “Wee elke lasteraar en roddelaar…” (Koran 105:1)

    Zoals zo vaak, wordt door de Koran en de Sunnah een dubbel spoor bewandeld: het onwenselijke (roddelen) wordt afgekeurd, het wenselijke (discretie) wordt beloond. Profeet Mohamed zei:

    “Wanneer iemand de zwakheid van een ander in deze wereld verbergt, zal God zijn zwakheid verbergen in het hiernamaals.” (Muslim)

    1.10. Recht op bescherming van de eer

    Profeet Mohamed legt het verschil tussen roddel en laster als volgt uit:

    “Profeet Mohamed zei: “Weet jij wat achterklap is?”. Ze zeiden: “God en Zijn Boodschapper weten het best.” Vervolgens zei hij: “Achterklap is iets zeggen over je broeder dat hij niet graag zou hebben.” Iemand vroeg hem: “Maar wat als het waar is?”. De Profeet van God zei: “Als wat je zegt over hem waar is, dan roddel je over hem, maar als het niet waar is, dan heb je hem belasterd.” (Muslim)

    Diegenen die laster verkondigen, wordt een bestraffing (hier en in het hiernamaals) in het vooruitzicht gesteld. Daaruit blijkt hoe zwaar de Koran eraan tilt.

    “Toen jullie dat [de laster] met jullie tongen overnamen, met jullie monden zeiden waarvan jullie geen kennis hebben en dachten dat het iets onbeduidends was, maar bij God was het afschuwelijk. Hadden jullie toen jullie het hoorden maar gezegd: “Het is niet aan ons hierover te spreken. U zij geprezen; dit is geweldige kwaadsprekerij.” God spoort jullie aan nooit meer iets dergelijks te doen. (…) Zij die graag zouden willen dat onbetamelijkheid zich onder hen die geloven verspreidt, voor hen is er een pijnlijke bestraffing in het tegenwoordige leven en het hiernamaals.” (Koran 24:15-17)

    De Koran brengt laster in verband met Satan, die op die manier tweedracht onder de mensen wil zaaien.

    “En zeg aan Mijn dienaren dat te zeggen wat het beste is, want de satan hitst op tot tweedracht onder hen; de satan is een verklaarde vijand van de mens.” (Koran 17:53)

    Muslims moeten er uiteraard alles aan doen om uit het vaarwater van Satan te blijven. Vandaar dat iemand belasteren verworpen wordt en dat Muslims voorgeschreven wordt te zwijgen tenzij ze iets goed, iets rechtschapen, te zeggen hebben.

    Abu Hurayrah vertelde dat de Profeet van God zei: “Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem zeggen wat rechtschapen is, of zwijgen. Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vriendelijk zijn voor zijn buur. En wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vrijgevig zijn voor zijn gast.” (Muslim)

    1.11. Recht op godsdienstvrijheid

    Godsdienstvrijheid, is in de Koran niet zomaar een recht, het is de essentie van de Islam zelf. [11] Zonder godsdienstvrijheid, kan er van Islam geen sprake zijn. Het hele zingevingsmodel van de Islam is erop gebaseerd. De Koran stelt dat mensen geboren worden in een staat van harmonie, puur en vrij van zonde, met intellect en vrije wil en begiftigd met een onderscheid van goed en kwaad. Eenmaal geboren, ligt niet alleen het goede, maar ook het kwade op de loer. De zin van het leven is erg eenvoudig. Volgens de Koran, is het leven een test, om te zien hoe mensen hun vrije wil zullen aanwenden. Zullen ze het goede kiezen? Of het kwade volgen? Dat zijn keuzes die men steeds weer moet maken, op elk moment van de dag en over allerhande terreinen. Op Oordeelsdag zal men zich voor deze keuzes moeten verantwoorden. Op die manier, plaveit men gedurende het leven zelf de weg naar de hemel of de hel. Dit alles is volslagen onmogelijk, als de mens niet over de vrijheid beschikt om zich bij het inrichten van het leven al dan niet door God te laten leiden. Zonder godsdienstvrijheid, is er geen Oordeelsdag, is er geen God, en is er van Islam geen sprake. Elk beknotten of belemmeren van de godsdienstvrijheid komt neer op een negatie van God en maakt Islam onmogelijk. Godsdienstvrijheid is dan ook veel meer dan een mensenrecht, het behoort tot de diepste essentie van de Islam, zonder dewelke Islam onmogelijk is.

    Het is God zelf die in de Koran de godsdienstvrijheid instelt:

    “In de godsdienst is er geen dwang.” (Koran, 2:256)
    “Wie het wil, die moet dan geloven en wie het wil, die moet maar ongelovig zijn.” (Koran 18:29)

    Het is Muslims formeel verboden anderen te dwingen zich te bekeren tot de Islam.

    “Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen.” (Koran 88:22-23)

    Trouwens, volgens de Koran kunnen ook niet-Muslims tot de hemel toegelaten worden als ze in God geloven en handelen volgens de Openbaringen van de Profeten die in hun midden gestuurd werden:

    “Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn.” (Koran 2:62)

    Godsdienstvrijheid houdt niet enkel het recht in te geloven wat men wil. Het houdt ook het recht in dat niemand over dat geloof een oordeel mag vellen. Immers, volgens de Koran kan enkel God in de harten van de mensen kijken, kan enkel Hij hun intenties kennen, en kan daarom enkel Hij oordelen over geloof en ongeloof.

    “Het oordeel komt alleen God toe.” ( Koran 12:67)

    “Hij [God] maakt niemand deelgenoot van Zijn oordeel.” (Koran 18:26)

    In afwachting van dat Godsoordeel op de Laatste Dag, moeten alle mensen elkaar als gelijken beschouwen, ongeacht geloof, huidskleur, inkomen, opleiding, functie, of wat dan ook. Het is immers God zelf die de diversiteit onder de mensen ingesteld heeft – en wat God gewild heeft, daar mag men niet tegen ingaan.

    “En als jouw Heer het had gewild, hadden wie er hier op de aarde zijn allen geloofd. Wil jij dan de mensen dwingen gelovigen te worden?”

    De Koran en Sunnah hechten dan ook veel belang aan het erkennen van de eigenheid van elke godsdienst. Men moet elkaars godsdienst niet willen veranderen, elkaar niet willen assimileren en elkaar niet willen imiteren. Met moet gewoon erkennen en aanvaarden dat elk zijn eigen godsdienst volgt.

    “Jullie hebben jullie godsdienst en ik heb mijn godsdienst.” (Koran 109:6)

    De Koran stelt dat God wel zal oordelen over de verschillen tussen de godsdiensten.

    “… En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft jullie in wat jullie gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dan met elkaar in goed daden. Tot God is jullie terugkeer, gezamenlijk. Hij zal jullie dan dat meedelen waarover jullie het oneens waren.” (Koran 5:42-47)

    In weerwil van wat in het Westen zo vaak gedacht wordt, schrijft Islam dus hoegenaamd niet voor anderen onder dwang te bekeren tot de Islam – integendeel, zulke praktijken zijn uitdrukkelijk verboden.

    1.12. Recht op bescherming van de religieuze gevoelens

    Naast het recht op godsdienstvrijheid, heeft men volgens de Koran ook recht op respect voor de religieuze gevoelens. De Koran en Sunnah schrijven Muslims voor op een voorkomende, respectvolle, geduldige, verdraagzame manier met iedereen – Muslims en niet-Muslims – om te gaan. [12] Daarbij wordt uitdrukkelijk voorgeschreven niet de spot te drijven met andere godsdiensten en hun aanhangers:

    “En hoont niet hen die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit vijandigheid en zonder kennis gaan honen.” (Koran 6:108)

    Men moet de eigenheid van anderen respecteren, het geloof van anderen niet willen veranderen. Immers, God zal op Oordeelsdag de verschillen wel uitklaren:

    “God zal op de opstandingsdag tussen jullie over dat waarover jullie het oneens waren oordelen”. (Koran 22:69)

    In het algemeen geldt dat men enkel op de beste manier met anderen moet omgaan, zodat geen wrevel, geen bitterheid, geen vijandigheid opgewekt wordt:

    “En twist niet met de Mensen van het Boek behalve op de beste manier …” (Koran 29:46)

    1.13. Recht op kennisverwerving

    De Koran is niet geordend volgens de volgorde van de openbaring ervan. Het volgens de tradities eerste aan Mohamed geopenbaarde vers staat in surah (hoofdstuk) 96 aan Mohamed geopenbaarde vers:

    “Lees voor in de naam van jouw Heer die heeft geschapen” (Koran 96:1)

    Het eerste wat God Mohamed en de mensen (zowel mannen als vrouwen) in de Koran opdraagt, is levenslange studie. Volgens de Koran heeft God de mens aangesteld als vice-regent, als beheerder van de aarde. Om dat beheerschap goed te kunnen uitoefenen is kennis van de Schepping nodig (vandaar dat wetenschapsbeoefening aangemoedigd wordt). Daarnaast wordt kennis ook aanzien als een vereiste om vorm te kunnen geven aan een rechtvaardige en vreedzame samenleving. Profeet Mohamed zei:

    “Het zoeken van kennis is een plicht voor elke Muslim (gemeld door Anas, Ibn Majah)

    Geloof en kennisverwerving zijn in de Islam niet elkaars tegenpolen. Integendeel, de Koran leert dat kennis de mensen dichter bij God brengt:

    “God wordt slechts gevreesd door de geleerden onder Zijn dienaren.” (Koran 35:28)

    1.14. Recht op correcte informatie

    Kennisverwerving is één zaak, maar wat schiet men ermee op als de informatie die men verwerft niet klopt? De Koran kent mensen dat ook een recht op correcte informatie toe. Om dat recht te schragen, wordt Muslims onder meer opgedragen niet te liegen.

    “Omkleedt de waarheid niet met onzin en verbergt haar niet; jullie weten wel beter.” (Koran 2:42)

    “Hij die iets gevraagd wordt dat hij weet, en het verbergt, zal op Oordeelsdag een breidel van vuur op hem geplaatst krijgen. (gemeld door Abu Hurayah, in: Abu Dawud)

    Deze maatregel slaat ook op overheden. Zij moeten een open politiek voeren en correcte informatie verstrekken. Men kan zelfs stellen dat deze verplichting tot het verstrekken van correcte informatie des te meer geldt voor overheden, omdat zij door de mensen vertrouwd worden. Profeet Mohamed zei:

    “De meest ernstige vorm van het schenden van vertrouwen, is het vertellen van een leugen aan een broeder terwijl hij gelooft dat je waarachtig bent in wat je zegt.” (Abu Dawud)

    Waarachtigheid wordt geassocieerd met geloven en effent de weg naar het Paradijs, terwijl liegen beschouwd wordt als iets dat naar de hel leidt.

    De Boodschapper van God zei: “Hou jullie aan waarachtigheid want het leidt naar rechtschapenheid, en dat laatste leidt naar het Paradijs. Dus, wie waarachtigheid getrouw blijft en er ijver in toont, wordt door God als een waarlijk waarachtig mens beschouwd. En vermijdt het liegen, want dat leidt tot buitensporigheid, en buitensporigheid leidt naar de hel. Dus, wanneer iemand volhardt in het vertellen van leugens, dan beschouwt God hem als een leugenaar”. (Bukhari, Muslim)

    Ook oprechtheid wordt voorgeschreven:

    “Jullie die geloven ! Vreest God en weest met de oprechten!” (Koran 9:119)

    De Koran vestigt er de aandacht op dat voor God niets verborgen blijft, ook datgene wat men verzwijgt:

    “weten zij dan niet dat God weet wat zij in het geheim en wat zij openlijk doen?” (Koran 2:77)

    Liegen wordt beschouwd als een kenmerk van hypocrisie:

    “De hypocriet heeft drie kenmerken: hij vertelt leugens, verbreekt zijn belofte en schendt vertrouwen” (Bukhari, Muslim)

    Hypocrisie wordt in de Islam verafschuwd. Hypocrieten wordt de diepste putten van de hel toegezegd:

    “De huichelaars komen in de laagste verdieping van het vuur en jij zal voor hen geen helper vinden.” (Koran 4:145)

    1.15. Recht op deelname aan het politiek proces

    Het beheerschap is een verantwoordelijkheid die op de schouder van elk mens rust. De Koran stelt dat de mensen hun zaken moeten regelen door onderlinge beraadslaging.

    “… en die gehoor heven aan hun Heer en de salaat verrichten, wier beleid onderling beraad is en die van wat Wij hun voor hun levensonderhoud gegeven hebben bijdragen geven …” (Koran 42:38)

    Elkeen heeft recht op deelname aan het politiek proces. De politieke implicaties van de Koran zullen in een aparte analyse verder besproken worden.

    1.16. Recht op protest tegen onrecht en onderdrukking

    De Koran staat afwijzend tegenover het praten over het kwade – ook al is het waar – tenzij iemand onrechtvaardig behandeld werd, want omdat hij recht heeft op rechtvaardigheid mag hij wel over het kwade spreken om zijn zaak te bepleiten en recht na te streven.

    “God houdt er niet van dat openlijk over het slechte gesproken wordt, behalve als aan iemand onrecht is aangedaan. God is horend en wetend.” (Koran 4:148)

    Mensen hebben het recht openlijk protest te uiten wanneer zij of de gemeenschap door hun leiders onrechtmatig behandeld worden – zoals het geval is bij een tiran, bij corrupte leiders, bij een staatsgreep, en zo meer. Kalief Abu Bakr zei tijdens zijn eerste toespraak:

    “Werk met mij samen als ik juist ben, maar corrigeer mij als ik een fout bega”.

    Een Muslim moet trouwens niet alleen een verdrukte helpen, hij moet ook de onderdrukker helpen – door hem ervan te weerhouden anderen te onderdrukken.

    “Anas meldde dat Gods Apostel zei: “Help uw broeder, ongeacht of hij verdrukker of de verdrukte is. De mensen vroegen: “O Gods Apostel! Het is goed hem te helpen als hij onderdrukte is, maar hoe moeten we hem helpen als hij een onderdrukker is?” De profeet zei “Door hem ervan te weerhouden anderen te onderdrukken” (Bukhari)

    Protesteren tegen onrecht en zich inzetten voor een rechtvaardige samenleving zijn een belangrijke vorm van Jihad die bekend staat als Jihad ahlu ath-Thulm (en neen, Jihad is geen heilige oorlog, geen oorlog om ongelovigen te dwingen zich te bekeren tot de Islam – zoiets wordt door de Koran en de Sunnah uitdrukkelijk verboden; Jihad betekent: streven om het goede, het rechtvaardige te doen, het is vertaling in woord en daad van het geloof en is in de meeste gevallen geweldloos, behalve wanneer men zich verdedigt tegen een aanval na uitputting van alle andere manieren om de aanval af te slaan). [13] Deze geweldloze vorm van Jihad heeft betrekking op elke inspanning die men levert om sociaal onrecht te lenigen en ten voordele van een rechtvaardige maatschappij. Politiek engagement behoort daar ook toe, en het terechtwijzen van een tiran wordt zelfs aanzien als de grootste vorm van Jihad, die het woord als instrument hanteert. In de Islam staan leiders niet boven de wet, en kan iedereen een leider ter verantwoording roepen.

    “De Heilige Profeet zei: “De grootste jihad is het spreken van het woord van waarheid tegen een tiran.” (Mishkat, Book of Rulership and Judgment, hoofdstuk 1, sectie 2)

    Wie zich op die manier inzet (Jihad onderneemt) voor een rechtvaardige samenleving, mag op Gods genade hopen.

    “Zij die geloven en zij die uitgeweken zijn en zich op Gods weg inspannen [{jahadoo}, jihad beoefenen], zij zijn het die op Gods barmhartigheid hopen. God is vergevend en barmhartig.” (Koran 2:218)

    1.17. Recht op asiel

    Islam kent mensen het recht toe het land te verlaten wanneer ze er verdrukt worden. Het precedent hiervoor werd geleverd door Profeet Mohamed zelf, die Mekka verliet toen de machtigste familie van Mekka, een prijs op zijn hoofd gezet hadden omdat ze zijn sociale leer als een bedreiging ervoeren. Deze migratie van Mekka naar Medina, staat in de Islam bekend als de ‘Hijrah’. Het is bij deze Hijrah, en niet bij de geboorte of de dood van Mohamed, dat de Islamitische jaartelling begint, wat het belang ervan nog onderlijnt.

    Omgekeerd, heeft de Koran het ook over het opvangen van asielzoekers.

    “En als een van de veelgodendienaars bij jou bescherming zoekt, geef hem dan bescherming tot hij het woord van God hoort en laat hem daarna een plaats bereiken waar hij veilig is…” (Koran 9:6)

    “Het eerste huis dat voor de mensen werd neergezet is dat in Bakka [dwz. Mekka]; gezegend is het en een leidraad voor de wereldbewoners. Erin zijn duidelijke tekenen; het is de standplaats van Abraham. Wie er binnentreedt is veilig…” (Koran 3:97)

    “En toen Wij het huis maakten tot een plaats van samenkomst voor de mensen en een vrijplaats …” (Koran 2:125)

    1.18. Recht op vrijheid van meningsuiting

    Vanuit Islamitisch perspectief, komt vrijheid van meningsuiting in essentie neer op de vrijheid er een eigen mening over God — en dus over alles wat Hij voorschrijft — op na te houden, op één of andere manier in God te geloven, of helemaal niet in God te geloven. Zoals reeds eerder aan bod kwam, is het de allerhoogste instantie, God zelf, die dit recht op godsdienstvrijheid garandeert. Mensen hebben volgens de Koran en Sunnah niet enkel het recht op een eigen mening, ze hebben ook het recht deze mening te uiten. Dat wordt duidelijk in het allerprilste begin van het bestaan, wanneer Iblis (Satan), een hooghartige jinn, weigerde gevolg te geven aan het door God gegeven bevel om te buigen voor Adam : het vooronderstelt dat Iblis de vrijheid genoot zijn mening over Gods geboden effectief ook te uiten.

    Omgekeerd, genieten mensen ook de vrijheid uiting te geven aan hun verlangen God wél te volgen, ook als de anderen er anders over denken. Dit blijkt uit de in de Koran geschetste omstandigheden waarin Noë zijn boodschap verkondigde:

    “… Telkens als ik hen opriep, opdat U hen zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren, bedekten ze zich met hun kleren en bleven ze stijfkoppig en hoogmoedig Toen riep ik hen in het openbaar op. Toen sprak ik openlijk en in het diepste geheim met hen.” (Koran 71:6-9)

    Dit vers vestigt het recht een naar de groep toe afwijkende mening te uiten – en dat is nu juist de essentie van vrijheid van meningsuiting.

    Een reeks andere rechten hangen hier nauw mee samen, zoals het recht op correcte informatie op grond waarvan men zich een mening kan vormen – anders, is men weinig gebaat met het recht op vrije meningsuiting.

    Anderzijds perkt de Koran de vrijheid van meningsuiting ook in. Men kan zich bijvoorbeeld niet op dit recht beroepen om de eer of privacy van anderen te schenden, om racistische uitspraken te doen, en zo meer.

    De Koran bevat ook richtlijnen voor toehoorders van mensen die zich van hun recht op vrije meningsuiting bedienen:

    “Verdraag geduldig wat zij zeggen.” (Koran 20:130)

    “Wanneer jij hen ziet die onze tekenen bespotten, wend je dan van hen af totdat zij op een ander gesprek overgaan…” (Koran 6:68)

    Door de toehoorders verdraagzaamheid en geduld voor te schrijven, wordt een grote ruimte geschapen voor diegene die zijn mening ventileert. Toehoorders van vrije meningsuiting worden anders gezegd aangemoedigd om niet tot het uiterste te gaan om hun eigen rechten op respect van de eer en zo meer te laten gelden zodat er een open sfeer ontstaat waarin mensen kunnen zeggen wat hen op het hart ligt. De Koran wil vermijden dat mensen hypocrisie – een ‘ziekte van het hart’ – krijgen, waarin ze het ene zeggen, en het andere doen. Hypocrisie wordt in de Koran immers verafschuwd:

    “De huichelaars komen in de laagste verdieping van het vuur en jij zal voor hen geen helper vinden.” (Koran 4:145)

    De Koran verkiest dan ook dat mensen de eerlijke waarheid spreken, ook als die verschillend is van de Islamitische opvattingen, boven het bewijzen van lippendienst aan de Islam.

    Alles samen leggen Koran en Sunnah een solide basis voor het recht op vrije meningsuiting. [14]

    1.19. Recht op vereniging

    De Koran kent de mensen het recht toe zich te verenigen, voor zover deze vereniging niet dient om onwettige zaken te doen:

    “… maar staat elkaar bij in vroomheid en godvrezendheid en staat elkaar niet bij in zonde en overtreding …” (Koran 5:2)

    Iemand die een misdaad beraamt, kan zich daardoor – uiteraard – niet beroepen op het recht om zich te verenigen met medeplichtigen. Men heeft enkel in het wettige en toegestane, het recht om zich te verenigen. Eigenlijk, heeft men op grond van dit vers niet alleen het recht om zich in het goede te verenigen, maar heeft men wanneer men het goede doet, recht op medewerking, steun, hulp van anderen.

    1.20. Recht op non-coöperatie met het onwettige

    Het vers dat recht op vereniging toestaat voor zover die niet onwettig is, verbiedt niet alleen samenwerking in het kwade, maar kent daarmee ook het recht toe samenwerking in het kwade te weigeren. Als er bijvoorbeeld in een vergadering een meerderheid zou gevonden worden die ingaat tegen alle andere kenmerken van het Koranisch stelsel, stelt de Koran dat de minderheid daarin niet moet meegaan, maar integendeel de principes van rechtvaardigheid en de hele leer in het vaandel moet blijven voeren.

    “Laat er uit jullie een gemeenschap voortkomen [van mensen] die oproepen tot het goede, het behoorlijke gebieden en het verwerpelijke verbieden. Zij zijn het die het welgaat.” (Koran 3:104)

    Ook als een leider iets onwettig beveelt, heeft men het recht hem niet te gehoorzamen. Absolute gehoorzaamheid aan een leider is dus uitgesloten. Immers, ook leiders blijven onderworpen aan de wet. Gehoorzaamheid aan een leider is dan ook enkel verschuldigd in het goede. Met andere woorden, als een leider iets onwettig wil doorvoeren, heeft men het recht niet te gehoorzamen. In de hadithverzameling van Abu Dawud wordt een voorval vermeld waarin uit de groep een militaire leider aangesteld werd. De Profeet gaf de Muslims de instructie mee hun militaire leider te gehoorzamen. Op hun militaire expeditie hadden de soldaten hun militaire bevelhebber om een niet nader genoemde reden op stang gejaagd. De bevelhebber gaf hen daarop de opdracht een groot vuur te bouwen. Van zodra ze daarmee klaar waren, beval hij zijn soldaten in dat vuur te springen. Een andere variant van die hadith specificeert dat de bevelhebber naderhand zei dat hij dit als grap bedoeld had. Hoe dan ook, hij gaf zijn soldaten bevel in het vuur te springen. Zijn soldaten aarzelden, waarop de bevelhebber zei: “Heeft de Profeet jullie niet opgedragen mij te gehoorzamen?”. De soldaten antwoordden echter: “We hebben bij de Profeet bescherming gevonden tegen het Hellevuur”, en weigerden in het vuur te springen. Wanneer dit voorval later aan de Profeet verteld werd, zei hij:

    “Als de soldaten dit bevel gevolgd zouden hebben en in het vuur zouden gestapt zijn, zouden ze er nooit meer uitgekomen zijn (d.w.z. ze zouden in de hel gebleven zijn). Gehoorzaamheid is enkel vereist in het goede en rechtvaardige.” [15]

    Gehoorzaamheid is enkel in het goede verplicht. Kalief Abu Bakr raakte dit onderwerp eveneens aan in zijn inaugurale rede:

    “Werk met mij samen als ik juist ben, maar corrigeer mij als ik een fout bega.”

    In de Islam kan de grootste armoezaaier de hoogste leider tot de orde roepen. Ibn Majah and Tabrani vermelden dat een boze Bedoeïen bij de Profeet kwam en eiste dat de Profeet een schuld zou aflossen die de Profeet bij hem opgelopen had. Geschokt door zijn ruwe manier van doen, wezen de gezellen van de Profeet de man terecht : “Weet je wel tegen wie je het hebt?” De Bedoeïen antwoordde: “Ik vraag toch gewoon waar ik recht op heb!” Tot ieders verbazing, wees de Profeet zijn gezellen onmiddellijk terecht met de woorden: “Waarom kiezen jullie niet de kant van de benadeelde partij?”. De Profeet deed het nodige om de schuld af te lossen, vervoegde zijn gezellen, en merkte op:

    “Het is inderdaad een gezegende gemeenschap waarin de zwakken en armen hun rechten kunnen opeisen zonder schrik te moeten hebben voor represailles”. [16]

    Hieruit blijkt meteen dat zelfs de hoogste leiders rekenschap verschuldigd zijn aan de mensen. Ten tijde van de Kaliefen konden mensen via de rechtbank klacht neerleggen tegen de Kalief, die dan voor de rechter moest verschijnen om zich te verantwoorden voor de klachten.

    Iedereen is voor de wet gelijk, ook de leiders. Protesteren tegen een onrechtvaardige leider, en non-coöperatie met een leider die het onwettige beveelt, maakt deel uit van de fundamentele rechten van de mens volgens de Koran.

    1.21. Recht op vrije handel

    De Koran laat handel met wederzijdse instemming toe (voor zover het gaat om handel in niet-verboden zaken).

    “Jullie die geloven! Verteert niet onderling elkaars bezittingen door bedrog, behalve als het om handel met wederzijdse instemming gaat,… (Koran 4:29)

    Het aanrekenen van woekerinteresten is evenwel verboden.

    “… Maar God heeft de handel toegestaan en de woeker verboden…” (Koran 2:275)

    Interessant is hier op te merken dat Khadija , de eerste vrouw van Profeet Mohamed, zelf een zakenvrouw was. Zij zette de handelszaak van haar vader verder na diens dood, en bouwde het bedrijf uit tot de meest succesvolle handelszaak van Mekka. Ze stuurde handelscaravanen naar Syrië en Jemen, en gebruikte haar winst onder meer om armen, wezen en zieken te helpen. Op een gegeven moment werd de toen 20-jarige Mohamed in dienst genomen als verantwoordelijke voor een verre handelsmissie. Zo leerden ze elkaar kennen, wat uiteindelijk tot een huwelijk zou leiden. Ook na haar huwelijk met Mohamed bleef de 25 jaar oudere Khadija nog een paar jaren actief als zakenvrouw.

    1.22. Recht op werk

    De Koran stelt:

    “Jullie die geloven: Wanneer jullie tot de salaat op de vrijdag [als de dag van de samenkomst] worden opgeroepen, haast jullie dan om God te gedenken en laat het zakendoen (…) En wanneer de salaat beëindigd is, gaat dan weer uit elkaar het land in, en gedenk God veel… (Koran 62:9-10)

    Muslims krijgen hier de opdracht niet meer tijd dan nodig te spenderen aan de samenkomst en het gebed in de moskee, en daarna hun werkzaamheden verder te zetten om in hun levensonderhoud te voorzien. Iedereen heeft recht op werk

    “En Hij is het die de aarde voor jullie handelbaar gemaakt heeft. Wandelt dus over haar rug en eet van het levensonderhoud dat Hij geeft…” (Koran 67:15)

    Bovendien heeft iedereen recht op hetzelfde loon voor hetzelfde werk.

    “… Aan mannen is toegewezen wat zij verdienen, en aan vrouwen is toegewezen wat zij verdienen…” (Koran 4:32) [17]

    Het is niet onbelangrijk hier aan te stippen dat mannen en vrouwen vanuit de Islam voor gelijk werk, recht hebben op gelijk loon. Zoals reeds elders gesteld hebben vrouwen ook het recht in eigen naam handel te drijven, hebben zij recht om te erven, kan binnen het huwelijk de man niet aan het bezit van zijn vrouw, enz.

    In verschillende Muslimlanden zijn tal van vrouwenbewegingen actief die op grond van teksten uit de Koran en Sunnah een emancipatiegolf op gang trekken om de nadelige situatie recht te zetten van vrouwen die om historisch-culturele redenen achtergesteld geraakten. Deze vrouwen gebruiken verzen uit de Koran en uitspraken en handelingen van Profeet Mohamed om op te komen voor gelijke rechten voor de vrouw. Dit gaat soms zelfs naar Westerse maatstaven behoorlijk ver. Zo voerden vrouwen in Iran een campagne om ook voor huishoudelijk werk een loon te krijgen. Zij haalden daarvoor argumenten aan uit de Koran en Sunnah. Dit resulteerde in 1991 in een wet, op grond waarvan een man die van zijn vrouw scheidt, haar eerst haar loon moet uitbetalen voor het huishoudelijk werk dat zij deed. [18]

    Vrouwen die uit werken gaan, mogen wat zij verdienen volledig voor zichzelf houden en moeten er niets van spenderen voor huishoudelijke kosten, noch voor het onderhoud van henzelf of hun kinderen. In de Islam heeft de man immers de taak van kostwinner – ook als zijn vrouw uit werken gaat en geld verdient, moet hij vrouw en kinderen onderhouden (kledij, woonst, medische kosten, voeding enz.). Al is het een vrouw natuurlijk niet verboden vrijwillig een deel van haar loon bij te dragen tot de gezinskosten, maar zij is dat niet verplicht.

    1.23. Recht op minimale levensstandaard

    Aan de basis van de Islam ligt de gedachte dat alles God toebehoort – niets is echt eigendom van de mens, mensen krijgen het als het ware enkel in gedelegeerd, tijdelijk bezit. God voorziet levensonderhoud voor alle mensen en dieren.

    “En er is geen dier op aarde of God zorgt voor zijn levensonderhoud en Hij kent zijn verblijfplaats en zijn bewaarplaats” (Koran 11:6)

    Vermits elk levend wezen één van Gods schepselen is, heeft elk levend wezen – mens én dier – recht op zijn deel van deze goddelijke voorzieningen, van de natuurlijke rijkdommen (gezond voedsel, gezond water, gezonde lucht,…). Mensen moeten de natuurlijke rijkdommen met de dieren en met elkaar delen. [19] De Koran noemt het aandeel van de arme in de rijkdom van de rijke, een “rechtmatig” aandeel.

    “en een rechtmatig aandeel in hun bezittingen [van de godvrezenden] was voor de bedelaar en de onbemiddelde.” (Koran 51:19)

    Elke arme die de rijkeren om hulp vraagt, heeft recht op hulp. Omgekeerd, is elke rijke verplicht te delen met de armen. Zakaat – een soort van verplichte liefdadigheid – is één van de pijlers van de Islam, naast geloof, vasten, gebed, en hajj (bedevaart). Zakaat behoort tot de kern van het Islamitisch denken en handelen. Het wordt beschouwd als een manier waarop de rijken hun bezit kunnen zuiveren, als het ware, een manier om zich eraan te herinnen dat niets de mens zelf toebehoort maar alles van God is zodat men verplicht is de eigen overvloed te delen met diegenen die minder hebben. Islam voert met andere woorden een sociale correctie in op het economisch gebeuren, waarbij een deel van de rijkdom van de rijken verplicht terugvloeit naar de armen. Zakaat wordt, ruw gesteld, berekend als een bepaald percentage op het bezit, en moet jaarlijks betaald worden aan het einde van de vastenmaand Ramadan. Naast de verplichte liefdadigheid, wordt ook vrijwillige liefdadigheid sterk aangemoedigd. Zoals steeds zal op Oordeelsdag de intentie voor het gedrag de doorslag geven. Wanneer men aan vrijwillige liefdadigheid doet om op te scheppen, maakt dit de liefdadigheid in de ogen van God waardeloos. Immers, wanneer men echt de intentie heeft te helpen, hoeft niemand op de hoogte te zijn van de liefdadige werken die men doet:

    “Jullie die geloven! Maakt jullie aalmoezen niet waardeloos door gepoch en ergernis zoals hij die zijn bezit weggeeft om door de mensen gezien te worden …” (Koran 2:264)

    Profeet Mohamed zei:

    “Hij die eet tot hij gevuld is terwijl zijn buur naast hem honger heeft, is geen gelovige” (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Bukhari)

    Een welstellende Muslim moet met andere woorden van zijn rijkdom delen met zijn buren (ook als dat niet-Muslims zijn). Doet hij dat niet, dan effent hij zijn eigen pad naar de hel.

    Vermits ook dieren recht hebben op water, voedsel, onderdak, enz. strekt verplichte en vrijwillige liefdadigheid, waarmee het bezit herverdeeld wordt zodat iedereen voldoende heeft om van te leven, zich uit tot de dieren.

    De Profeet werd gevraagd of liefdadigheid zelfs tot de dieren, beloond werd door God. Hij antwoordde: “ja, er is beloning voor daden van liefdadigheid tegenover elk levend wezen.” (Gemeld door Abu Huraira. Bukhari, Muslim)

    2. Doel: een goed leven in een rechtvaardige samenleving

    Op maatschappelijk vlak heeft de Koran als hoofdbedoeling een rechtvaardige samenleving tot stand te brengen.

    “Wij hebben onze gezanten met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben het boek en de weegschaal met hen neergezonden, opdat de mensen de rechtvaardigheid in stand zouden houden…” (Koran 57:25)

    Rechtvaardigheid wordt nagestreefd door een wisselwerking van aanmoedigen en ontraden, van gebieden en verbieden. Het recht op bescherming van de eer, is het gevolg van het voorschrift dat men niet mag roddelen. Het recht op een minimale levensstandaard is het gevolg van de verplichting van het betalen van zakaat.

    “… jullie gebieden het behoorlijke, verbieden het verwerpelijke…” (Koran 3:110)

    Het hele stelsel leidt tot de omschrijving van een aantal fundamentele rechten die, zo blijkt uit bovenstaande analyse, zeer nauw aansluiten bij de universele mensenrechten.

    Daarenboven, betracht de Koran dit ideaal van een rechtvaardige samenleving waarin mensenrechten gerespecteerd worden, niet enkel langs wettelijke weg tot stand te brengen, maar ook en bovenal door de mensen op een hoger niveau te tillen. Muslims wordt voorgeschreven een leven lang aan een persoonlijk groeiproces te werken dat moet leiden naar een ideaal van een ‘Islamitische Persoonlijkheid’ die omschreven wordt als rechtvaardig, geduldig, tolerant, betrouwbaar, discreet en dergelijke meer. Dit hangt samen met het Koranisch psycho-spiritueel zingevingsproces. [20] Volgens de Koran legt de ziel voor ze geboren wordt in een lichaam, een gelofte af aan God waarbij ze God als haar Heer erkent. De ziel daalt neer in de foetus en een kind wordt geboren, zuiver, puur, vrij van enige zonde (de Islam kent geen erfzonde), in een toestand van paradijselijke harmonie. Sommige geleerden zeggen dat de gelukzalige blik op oneindig van een pasgeboren kind de herinnering van het paradijs nog in zich draagt. Om aan het leven te begin

  29. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 2:16 pm uur.

    blanke hollander je broeders deden heel wat andere dingen

  30. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 2:18 pm uur.

    2. Theoretische Koranische Psychologie

    In dit onderdeel wordt een model voor psychologie op basis van de Koran en de Sunnah uitgewerkt, vanuit verbanden met religie, spiritualiteit, moraliteit en zingeving.

    2.1. Fitrah

    Islam gelooft niet in een erfzonde. Elk kind wordt volgens de Koran spiritueel puur en onschuldig geboren, met een vermogen om goed en kwaad van elkaar te onderscheiden. De Koran stelt dat de ruh (van het lichaam gescheiden geest) geschapen werd vóór het jism (lichaam) [3]. Na zijn schepping, en alvorens in een lichaam neer te dalen, legt elke ruh getuigenis af dat hij God als zijn Heer erkent. Daardoor zal op Oordeelsdag geen enkele nafs (van zodra de ruh of geest in het lichaam neerdaalt spreekt men van nafs of zelf/ziel) zich kunnen verstoppen achter onwetendheid, geen enkele ziel zal kunnen zeggen dat zij niet afwist van het bestaan van God. Integendeel: volgens de Koran heeft elke ziel God als haar Heer aanvaard:

    “En toen jouw Heer uit de kinderen van Adam, uit hun lendenen, hun nageslacht nam en hen over zichzelf liet getuigen:”Ben ik niet jullie Heer?” Zij zeiden: “Ja zeker, wij getuigen.” Zodat zij niet op opstandingsdag zouden kunnen zeggen: “Hierop hadden wij niet gelet.” (Koran 7:172)

    De Koran stelt hier dat elk mens in zijn ziel, in de onsterfelijke essentie van zijn bestaan, de erkenning van God als Heer meedraagt. Daarom heeft de mens een natuurlijke aanleg om tijdens het aardse leven in God te geloven. Hij draagt in zich ook een daarop gebaseerd aanvoelen mee van wat goed en slecht is:

    “En hebben Wij hem niet de twee wegen gewezen?” (Koran 90:10)

    Deze natuurlijke, primordiale staat van de mens wordt fitrah genoemd. Het woord is afgeleid van de stam {f-t-r} en betekent: schepping (iets dat voor de eerste keer gemaakt wordt), maar ook: natuur, natuurlijke aanleg, temperament, instinct. Die natuurlijke aanleg is er een van perfecte tawhid (zuiver geloof in één God).

    Hoewel de mens volgens de Koran van nature gelovig en puur is, en over het vermogen beschikt goed en kwaad van elkaar te onderscheiden, is hij door zijn vrije wil ook vatbaar voor de verleidingen van het kwade die georchestreerd worden door Satan en zijn schare dienaren:

    Profeet Mohamed meldde dat God zei: “Ik schiep de mens in de juiste godsdienst maar de duivels (shaytaan) deden hem dwalen.” (Muslim)

    Naarmate men de krachten van het kwade involgt, wordt de toestand van fitrah overschaduwd en toegedekt, en dwaalt de mens af van zijn natuurlijke, harmonische toestand om in een voor hem onnatuurlijke staat van disharmonie terecht te komen.

    Om weer controle te verwerven over de negatieve krachten en zijn vatbaarheid voor het kwade te leren beheersen, kan de mens gebruik maken van zijn iradah (vrije wil) en ‘aql (intellect), meer bepaald door het aanwenden ervan voor studie van de Koran en de Sunnah als leidraad voor de tocht door dit leven.

    2.2. Zin van het leven

    Het overwinnen van het kwade heeft directe positieve gevolgen voor het huidige leven: naarmate men de toestand van fitrah weer kan bereiken, schudt men immers onrust af en verdiept en verbreedt men de innerlijke harmonie en vrede. Maar er is meer aan de hand. Het nastreven van deze harmonie heeft namelijk alles te maken met de zin van het leven, die in de Koran omschreven wordt als een test, een proef, met het oog op het bereiken van een plaats in het Jannah (de paradijselijke Tuin) van het Aakhirah (hiernamaals).

    “Wij hebben alles wat er op de aarde is tot een versiering gemaakt om hen op de proef te stellen wie van hen het beste is in wat hij doet.” (Koran 18:7)

    Zal de mens alles in het werk stellen om het kwade af te schudden, en het rechte pad te zoeken en te kiezen? Of zal hij zich overgeven aan het kwade en steeds verder afdwalen van de toestand van harmonie die voortkwam uit zijn overgave aan God? Om een antwoord op die vraag te vinden, wordt de mens tijdens het leven op de proef gesteld, op materieel vlak, maar ook in zijn binnenste.

    “Jullie zullen zeker op de proef gesteld worden in jullie bezittingen en in jullie zelf…” (Koran 3:186)

    De beproeving kan zowel uit geluk als uit lijden bestaan:

    “En Wij stellen jullie op de proef met het slechte en het goede, als een verzoeking.” (Koran 21:35)

    Lijden, kan in dit model naast een beproeving ook een straf van God zijn, of men kan het lijden zelf veroorzaakt hebben.

    “Wij zullen jullie op de proef stellen met iets van vrees, honger en tekort aan bezittingen, levens en vruchten, maar verkondig het goede nieuws aan hen die geduldig volharden, die als onheil hen treft, zeggen: “Wij behoren aan God toe en tot Hem zullen wij terugkeren.” Zij zijn het met wie hun Heer mededogen heeft en erbarmen, zij zijn het die het goede pad volgen.” (Koran 2:155-157)

    “… Als zij zich afkeren, weet dan dat God hen wenst te treffen voor sommige van hun zonden…” (Koran 5:49)

    “Of toen jullie onheil trof dat jullie zelf al dubbel hadden toegebracht. Jullie zeiden: “Hoe komt dit?” Zeg: “Het komt van jullie zelf”. God is almachtig.” (Koran 3:165)

    Geluk daarentegen komt altijd van God, met heeft er nooit zelf verdienste aan.

    “En welke weldaad jullie ook toevalt, het komt van God.” (Koran 16:53)

    Geluk heeft echter wel twee mogelijke aspecten. Het kàn een Goddelijke zegen zijn, het kan evenwel net als lijden ook een beproeving zijn. Het is dus niet zo, dat wanneer iemand succesvol is en geluk heeft, men daaruit mag afleiden dat God die persoon gunstig gezind is:

    De Profeet zei: “Wanneer God iets goed wil voor zijn dienaar, spoedt Hij zich om zijn bestraffing teweeg te brengen op deze wereld, en wanneer Hij geen goed voor hem wenst, houdt hij de bestraffing in tot wanneer hij voor zijn zonde aangesproken wordt op Oordeelsdag.” (Tirmidhi)

    Er is dan ook geen enkele reden om afgunstig te zijn van diegenen die het schijnbaar beter hebben. Zowel lijden als voorspoed maken immers deel uit van de test. Sommigen menen zelfs dat voorspoed een veel moeilijkere opgave is dan tegenspoed. Zij stellen dat tegenspoed haast vanzelf meer gelegenheid biedt tot loutering en tot het zoeken van hulp bij God, terwijl bij voorspoed verwaandheid op de loer ligt vermits men al vlug geneigd is te denken dat men zelf het geluk teweeggebracht heeft, terwijl volgens de Koran alle voorspoed aan God te danken is als beloning of als beproeving. Verwaandheid wordt door de Koran in sterke bewoording afgekeurd:

    “Wend je wang niet hoogmoedig van de mensen af en loop niet verwaand op de aarde rond. God bemint geen enkele ingebeelde en verwaande.” (Koran 31:18)

    De test is op het eerste gezicht dan ook niet zo eenvoudig. Wat een zegen lijkt, kan in werkelijkheid een beproeving zijn en omgekeerd. Enkel God weet immers of iets goed of slecht is vermits enkel Hij de Alwetende is en enkel Hij een overzicht heeft op het geheel. Surah 18 (v.66-83) van de Koran verduidelijkt dit. Mozes wordt er vergezeld van een zekere Al Khadir. Het is niet duidelijk wie deze figuur is. Volgens sommigen is hij een Profeet, andere exegeten beschouwen hem als een Engel, nog anderen zien in hem een allegorische figuur die de diepste mystieke inzichten symboliseert. In Surah 18 van de Koran, voert hij de opdrachten van God uit. Op een gegeven moment slaat hij een lek in een boot zodat deze met alle opvarenden vergaat. Mozes zegt:

    “Maak jij er een gat in om de opvarenden te laten verdrinken? Daar heb je echt iets vreselijks begaan.” (Koran 18:71)

    maar Al Khadir antwoordt:

    “Heb ik niet gezegd dat je het met mij niet zou kunnen uithouden?” (Koran 18:72).

    Even later legt hij uit dat God deze mensen liet verdrinken omdat hen een koning te wachten stond die elk schip met geweld nam:

    “Wat het schip betreft, dat was van arme mensen die op zee werken en ik wenste het te beschadigen. Hun stond namelijk een koning te wachten die elk schip met geweld nam.” (Koran 18:79)

    Wat met andere woorden een vreselijke dood lijkt, is eigenlijk een genade van God, want anders was hun doodstrijd veel erger geweest.

    Diezelfde passage verhaalt hoe Al Khadir en Mozes bij een stadje aankwamen waar hen gastvrijheid geweigerd werd. In dat stadje, stond een muur op het punt in te storten. Niettegenstaande het ongastvrije optreden van de mensen, greep Al Khadir in en zette hij de muur stevig recht. Mozes merkte op:

    “Als je wilde, had je daarvoor loon kunnen krijgen” (Koran 18:77)

    Al Khadir verduidelijkt echter:

    “En wat de muur betreft, die was van twee weesjongens in de stad en er was een schat onder die hun beiden toebehoorde en hun vader was een rechtschapen man geweest. Jouw Heer wenste dat zij volgroeid zouden zijn en hun schat te voorschijn halen; het was barmhartigheid van jouw Heer. Ik deed het niet uit eigen beweging. Dat is de uitleg van wat jij niet kon uithouden.” (Koran 18:82)

    In dergelijke verzen wordt uitgelegd dat enkel God een ultiem oordeel kan vellen over wat goed en slecht is.

    “Maar misschien staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien hebben jullie iets lief dat slecht voor jullie is. God weet en jullie weten niet.” (Koran 2:216)

    Hiermee wordt mensen op het hart gedrukt dat het niet is omdat ze zelf iets goed vinden, dat het vanuit ruimer perspectief ook goed is. Het is een les in nederigheid. Daarom zeggen muslims bij alles wat er gebeurt: ‘het is de wil van God’, en danken ze Hem voor alles, ongeacht of ze het gebeuren aangenaam of betreurenswaardig en pijnlijk vonden. De uitdrukking is een teken van overgave aan God. Enkel Hij is in staat het hele gebeuren te overzien.

    2.3. Oordeelsdag

    Na de levenslange test zal uiteindelijk iedereen de dood proeven:

    “Ieder zal de dood proeven, maar jullie volle loon zal jullie op de opstandingsdag gegeven worden. Wie dan van het vuur gevrijwaard wordt en in de tuin binnengebracht, die heeft gezegevierd. Het tegenwoordige leven is slechts het genot van de begoocheling.” (Koran 3:185)

    De ziel overleeft de dood van het lichaam en zal onderworpen worden aan een Laatste Gericht, een finaal oordeel.

    “op de dag dat de geheimen worden getoetst.” (Koran 86:9-10)

    Elk zal daar staan met zijn eigen boek waarin al zijn goede en slechte daden door Engelen opgetekend werden. Goede daden wegen zwaarder dan slechte. Elke goede daad wordt door de Engel in kwestie onmiddellijk geregistreerd en telt voor ‘plus 10′ punten, terwijl de Engel die de slechte daden registreert, telkens weer aarzelt en de slechte daad pas inschrijft als de mens de bedoeling heeft kwaad aan te richten en daar ook in doorzet. Bovendien wordt de slechte daad maar voor ‘min 1 punt’ in rekening gebracht, zodat men door het verrichten van goede daden de slechte daden kan compenseren.

    “Als iemand met een goede daad komt dan is er voor hem tien maal zoveel en als iemand met een slechte daad komt dan wordt hem slechts dienovereenkomstig vergolden en hun zal geen onrecht worden aangedaan.” (Koran 6:160)

    Belangrijk is, dat bij de beoordeling van de daden de intentie die de daad stuurde van doorslaggevend belang zal zijn:

    “Er is geen zonde voor u in datgene waarin gij u onvrijwillig vergist, maar wel in hetgeen uw hart zich heeft voorgenomen. God is Vergevensgezind, Genadevol.” (Koran 33:5)

    Niemand zal ook maar een fractie van z’n verantwoordelijkheid kunnen ontlopen. Oordeelsdag wordt dan ook aanzien als het ogenblik van de ultieme rechtvaardigheid. Wie slachtoffer werd van onrecht, zal daar recht gedaan worden. Wie onrecht beging, zal er daar op afgerekend worden. Het zal niet mogelijk zijn te zeggen dat men niet van het bestaan van God afwist door de eed aan God in de primordiale staat. Het zal evenmin mogelijk zijn zich achter Satan te verschansen, want Satan heeft geen macht over mensen. Mensen zijn immers volledig vrij te kiezen voor wie zij willen: God of Satan.

    “En de satan zegt, wanneer de beslissing gevallen is: “God heeft jullie een waarachtige toezegging gedaan. Ik heb jullie een toezegging gedaan, maar ik ben ze niet nagekomen. Ik had geen macht over jullie; ik riep jullie slechts op en jullie gaven aan mij gehoor. Verwijt mij dus niets maar verwijt het jullie zelf. Ik kan jullie geen hulp bieden en jullie kunnen mij geen hulp bieden. Ik hechtte er geen geloof aan toen jullie mij vroeger als metgezel van God vereerden.” … (Koran 14:22)

    Het Laatste Oordeel zal nochtans niet meedogenloos verlopen want volgens de Koran is God genadevol en barmhartig. Op één na, begint elk hoofdstuk van de Koran met de woorden:

    “Bismillah al Rahman al Rahim”
    (“In de Naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige”)

    Al Rahman (de Erbarmer, Genadevolle) verwijst naar de eindeloze liefdevolle genade die God voortdurend aan al zijn schepselen schenkt, zonder dat ze er ook maar iets moeten voor doen, geheel onafhankelijk van hun daden, dus ook als ze Zijn genade niet verdienen. Al Rahim (de Barmhartige) heeft betrekking op het medelijden dat God schenkt aan de gelovigen die door hun daden Zijn genade verdienen. Al Rahim slaat ook op de genade die God de gelovigen zal schenken in het hiernamaals. Een hadith verduidelijkt dat, wanneer er alles samen 100 eenheden liefdevolle genade bestaan, God 1 eenheid genade over het hele universum verdeeld heeft – dat is de genade en liefde die mensen voor elkaar voelen, de genade tussen mensen en dieren, tussen dieren onderling. De andere 99 eenheden genade zitten bij God, om op Oordeelsdag aan de gelovigen toe te kennen. De genade en liefde van God overstijgen dan ook ver het menselijk bevattingsvermogen:

    Abu Hurayra meldt dat de Boodschapper van God zei: “God de Allerhoogste heeft honderd porties genade. Hij zond slechts één portie naar het universum en verdeelde het over gans zijn Schepping. Het gevoel van genade en medeleven dat Zijn schepselen voor elkaar voelen, komt uit dat ene deel. De andere 99 delen, heeft Hij bewaard voor op Oordeelsdag wanneer Hij ze zal toebedelen aan de gelovigen.”

    Het bereiken van het Paradijs in het hiernamaals is in dit model een drijvende motivatie, een levensdoel. Het huidig leven is niet meer dan een middel om dat doel te bereiken, een passage waaraan men zich niet mag hechten. Het is het hiernamaals dat telt:

    “… Het tegenwoordige leven is slechts het genot van de begoocheling.” (Koran 3:185)

    De poorten van de hemel staan in de Islam overigens niet enkel open voor muslims. Wie in God geloofd heeft (ongeacht via welke weg), het kwade overwonnen heeft en goed gehandeld heeft, kan op Oordeelsdag tot de hemel toegelaten worden. Dus ook Joden of christenen kunnen volgens de Koran het Paradijs bereiken:

    “Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn.” (Koran 2:62)

    Wie evenwel het kwade dient, zal naar de hel gaan. Volgens de Koran zijn er bij Joden, christenen en muslims mensen die leven volgens de aan hun Profeten geopenbaarde Boeken, voor hen zullen de deuren van de hemel geopend worden. Er zijn er echter ook die van het pad van de Profeten afwijken, zij timmeren aan hun weg naar de hel.

    2.4. Islam, al din al fitrah (het natuurlijk geloof)

    De vraag stelt zich hoe men kan weten wat men moet doen om de test met goed gevolg af te leggen. In het Koranisch model staat de mens niet zonder hulpmiddelen voor het doorlopen van de levenstest. God immers heeft aan de Profeten een houvast geopenbaard, een leidraad aan de hand waarvan mensen zich zo vlot mogelijk een weg kunnen banen door de test van het leven. Het hele Koranisch psychospirituele model is gericht op het doorlopen van een evolutie die de mens in staat stelt de toegedekte fitrah te voorschijn te halen. Dit is meteen de (innerlijke) weg (terug) naar de paradijselijke Tuin.

    Uit de Openbaringen, blijkt dat deze weg bestaat uit een bewuste keuze voor God, indachtig de eed die de geest voor God aflegde. De opdracht bestaat er in, de hele geloofsbelevenis te ontdoen van alle ruis, van alle onzuiverheden, van alle dwaalleer, tot er enkel nog zuiver monotheïsme overblijft:

    “En strijd tegen hen tot er geen fitnah [bedreiging voor het geloof] meer is en de gehele godsdienst God toebehoort.” (Koran:8:39)

    Op maatschappelijk niveau handelt dit vers over het streven naar godsdienstvrijheid, naar een maatschappij waarin de Islam als een van de religies in pure vorm kan beleefd worden zonder door omstandigheden gedwongen te worden elementen van ongeloof of veelgoderij te moeten aanhouden.[4] Op individueel vlak verwijst dit vers naar een persoonlijk streven om elke vorm van ongeloof uit te roeien op het eigen pad naar God toe om zo te komen tot een zuiver geloof in de Ene God en de staat van fitrah opnieuw te proberen bereiken. Het is de bedoeling alles wat niet op God gericht is, te bannen uit het leven, zodat uiteindelijk alle aspecten van de persoon gericht worden op God en zodat geen enkel aspect van het leven gericht is op iets anders dan God:

    “Zeg: “Mijn salaat [gebed] en mijn godsdienstoefening, mijn leven en mijn sterven behoren God toe, de Heer van de wereldbewoners.” (Koran 6:162)

    Dit houdt een bewuste, vrije keuze in voor het daadwerkelijk beleven van de eed die de geest aan God maakte voor hij in het lichaam neerdaalde. Spiritualiteit en religie tijdens het leven wordt hier dan ook beschouwd als een vorm van her-kennen, van her-inneren, van blootleggen wat men reeds in zich draagt: de natuurlijke primordiale toestand van puur geloof in de Ene God.

    “En richt je aangezicht naar de godsdienst als een aanhanger van het zuivere geloof, de van God afkomstige aanleg [fitrah] die Hij de mensen ingeschapen heeft. Gods schepping is niet te veranderen. Dat is de juiste godsdienst maar de meeste mensen weten het niet.” (Koran 30:30)

    De Profeten van de Islam kwamen enerzijds om de mensen te herinneren aan hun primordiale getuigenis voor God – om mensen te helpen ontwaken tot wat ze in hun diepste wezen eigenlijk al weten.

    “Dit is slechts een herinnering, laat hij dit dat wil de weg inslaan naar zijn Heer.” (Koran 76:29) [5].

    Anderzijds brachten ze instructies over de weg om daar te geraken, vervat in het Woord van God, en weerspiegeld in de manier waarop zij dit Woord toepasten in hun leven.

    Daarom wordt de Islam ‘din al-fitrah’, genoemd, de ‘godsdienst van de menselijke natuur’. De leerstellingen van de Islam worden geacht puur monotheïsme te zijn en daardoor in volledige harmonie te zijn met de natuurlijke aanleg van de mens om in de Ene, Scheppende God te geloven. De Islam, is dan ook het middel bij uitstek om, zo men dat wil, terug te keren naar de toestand van fitrah. Godsdienst biedt volgens de Koran evenwel geen garantie op de hemel, het is enkel een leidraad er naartoe, maar of men daar geraakt of niet hangt van eigen daden af.

    2.5. De cruciale rol van godsdienstvrijheid

    Het hele Islamitisch model, staat of valt met godsdienstvrijheid. Zonder de vrijheid om al dan niet voor God te kiezen, kan er geen sprake zijn van een test, is er geen Oordeelsdag, kan men niet in het Paradijs terechtkomen, en vervalt het hele model. Godsdienstvrijheid is in de Islam dan ook niet zomaar een recht, het is de wezenlijke essentie zelf van het model. Neem godsdienstvrijheid weg, en er is van Islam geen sprake meer.

    De Koran, die geacht wordt het letterlijke woord van God te zijn, stelt onder meer:

    “In de godsdienst is er geen dwang.” (Koran, 2:256)

    “Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen.” (Koran 88:22-23)

    In de Islam is het de allerhoogste instantie, God zelf, die de godsdienstvrijheid garandeert. Het inkrimpen, belemmeren of wegnemen van de godsdienstvrijheid , houdt daarom een negatie van God in, en betekent het effectief ongedaan maken van de Islam.

    Godsdienstvrijheid houdt in dat elk mens vrij is te geloven wat hij wil en dat er in geloofszaken geen dwang mag uitgeoefend worden. [6] In de Islam is geloof een zaak tussen individu en God – daar staat niets tussen, geen ander individu, geen ‘moskee’ maar ook geen ‘staat’. Immers, een staat die volgens islamitische principes georganiseerd wordt, garandeert vanuit de Koranische Wet godsdienstvrijheid en kan of mag zich niet bemoeien met het geloof van haar inwoners.

    Een ander aspect van deze godsdienstvrijheid, is dat geen mens kan oordelen over het geloof van een ander mens. Alleen God weet wat er in het binnenste van een mens is:

    “… God weet wat er in jullie binnenste is…” (Koran 2:235)
    “Hij weet wat er binnen in de harten is.” (Koran 8:43)

    Het is dan ook enkel God die over het geloof of ongeloof van een mens kan oordelen:

    “Het oordeel komt alleen God toe.” ( Koran 12:67)
    “Hij [God] maakt niemand deelgenoot van Zijn oordeel.” (Koran 18:26)

    Elk mens is voor God gelijk – het maak niet uit welke huidskleur hij heeft, of of hij rijk of arm is, man of vrouw, en zo meer. Het enige wat voor God telt, is godvrucht en goede daden, en enkel Hij zal daar op Oordeelsdag over oordelen. In afwachting daarvan, moeten alle mensen elkaar als gelijken beschouwen. Daarmee legt dit model een stevige basis voor een wereldbroederschap van alle mensen, zonder onderscheid, zonder racisme, zonder dat de een zich meer kan achten dan de ander. [7,8]

    2.6. Geloof: gratie van God of individuele keuze?

    Hoe valt dit alles te rijmen met de Koranische verzen die lijken te stellen dat God gelovig maakt wie Hij wil en ongelovig maakt wie Hij wil?

    “… Zo brengt God wie Hij wil tot dwaling en brengt Hij wie Hij wil op het goede pad.” (Koran 74:31)

    Dit vers is zeer algemeen en moet geïnterpreteerd worden in het licht van andere verzen die hierover meer informatie verschaffen. [9] Zo stelt volgend vers dat God de onrechtplegers de goede weg niet wijst.

    “God wijst de mensen die onrecht plegen de goede richting niet”. (Koran 9:109)

    Met andere woorden: God maakt mensen niet arbitrair gelovig of ongelovig, het ligt aan henzelf, aan hun eigen daden. Het is door het eigen “onrecht plegen” dat de mens afdwaalt van de staat van fitrah en de genade van God verspeelt. Dit hangt samen met verzen als:

    “God doet de mensen geen enkel onrecht aan, maar de mensen doen zichzelf onrecht aan” (Koran 10:44)

    Godsvrucht (ongeacht via welke weg) en goede daden gaan niet enkel hand in hand met het oog op Oordeelsdag, maar ook om leiding te verkrijgen in het huidige leven.

    “God is met hen die godvrezend zijn en hen die goed doen” (Koran 16:128)

    In dit model zijn alle mensen in hun primordiale staat, voor hun ziel het lichaam binnenkomt, gelovig. [10] In hun huidig leven staat het de mens volledig vrij zich daar al dan niet naar te gedragen en al dan niet gelovig te zijn. Wie oprecht op zoek gaat naar God en rechtschapen handelt, zal door God geleid worden. Dit geleid worden naar en in het geloof is een gratie van God want door een mens gelovig te maken verschaft God hem een reeks hulpmiddelen om de toestand van fitrah en het Paradijs te bereiken. Maar deze genade, deze gratie van God, komt niet zomaar en gebeurt niet willekeurig, ze is het gevolg is van de eigen individuele keuzes en daden.

    2.7. Purificatie van het Zelf

    Kiest men voor God, dan voltrekt zich een proces van purificatie van het zelf (al nafs) dat zowel een kracht ten goede als ten kwade kan zijn:

    De Profeet zei: “Er zijn twee impulsen in de ziel, een van de engel die oproept tot het goede en het goede bevestigt; laat aan wie dit vindt weten dat het van God komt en laat hem God verheerlijken. Een andere impuls komt van de vijand, leidt tot twijfel, ontkent de waarheid en verbiedt het goede; laat wie dit vindt bescherming zoeken bij God voor de vervloekte duivel. Vervolgens citeerde hij het vers: “De satan zegt jullie armoede toe en beveelt jullie gruwelijkheid, maar God zegt jullie van Zijn kant vergeving en genade toe. God is alomvattend en wetend.” (2:268) (Tirmidhi)

    Om de innerlijke toestand van evenwicht en harmonie opnieuw te bereiken en om de kans op een verblijf in de paradijselijke Tuin van het hiernamaals te verhogen, komt het er dan ook op aan diep in zichzelf het goede te zoeken en te verdiepen, en tegelijk controle te verwerven over het kwade. Dit proces verloopt niet lineair maar is eigenlijk een voortdurende dynamiek waarbij verschillende toestanden afwisselend het voorplan halen, met de bedoeling uiteindelijk de meest gezuiverde toestand volledig te doen primeren.

    Hieruit blijkt meteen hoe sterk het element ‘verandering’ gedefinieerd wordt in de Koran. Het hele zingevingsproces is verankerd op de vrije wil en de veranderbaarheid van de mens, op het vermogen van de mens om zichzelf te overstijgen. In dit transformatieproces, worden 3 toestanden of fasen onderscheiden:

    Al nafs al ammârah (het zelf dat aanzet tot het kwade)

    Deze laagste psychospirituele toestand van het zelf zet de mens aan tot het kwade en heeft Satan als bondgenoot.

    “En ik zeg niet dat mijn zelf vrij is van blaam, want het zelf is toch iets dat tot het kwaad aanzet, behalve wanneer mijn Heer erbarmen heeft. Mijn Heer is vergevend en barmhartig.” (Koran 12:53) [11]

    In deze toestand wil het zelf voortdurend alle materiële verlangens zo snel mogelijk ingewilligd zien. Het verheft de eigen verlangens, de eigen wil, het eigen lage zelf (en dus satan) tot god.

    “Heb jij hem gezien die zijn grillen tot god maakt?” (Koran 25:43)

    Satan stelt de mens als beloning daarvoor genot, plezier, geluk, allerlei gewin in het vooruitzicht. Satan doet het ook lijken alsof men daardoor een goed, succesvol bestaan leidt, doch de Koran waarschuwt dat dit slechts schijn is:

    “Het tegenwoordig leven is slechts het genot van de begoocheling.” (Koran 3:185)

    Vanuit de toestand van fitrah is elk mens begiftigd met het vermogen goed en kwaad van elkaar te onderscheiden en dus de signatuur van Satan in deze gang van zaken te herkennen. Dat inzicht vertroebelt evenwel naarmate men toegeeft aan egoïsme, hebzucht, hoogmoed, verwaandheid, enz. En hoe meer men daar aan toegeeft, hoe meer men volgens dit model verknocht geraakt aan materiële zaken, hoe verwaander men wordt, en hoe meer men vervalt in afgunst, kwaadsprekerij, enz. Het is op dit lage zelf dat Profeet Mohamed doelde wanneer hij zei:

    “Uw ergste vijand is uw zelf binnenin u.” (gemeld door al-Baihaqi)

    Wanneer men het dictaat volgt van dit zelf, wordt het hart een woonplaats voor Satan, die het zelf met steeds meer holle verlangens voedt.

    “En wie zich voor de herinnering van de Erbarmer blind houdt, voor hem maken Wij een satan die dan een kameraad voor hem is – die zullen hun dan de weg versperren…” (Koran 43:36-37) [12]

    Al nafs al lawwama (berouwvol, zelfverwijtend zelf)

    Het berouwvolle, zelfverwijtende zelf wordt in de Koran in volgend vers vermeld:

    “Ik spreek bij de nafs [ziel, zelf] die zichzelf verwijten maakt.” (Koran 75:2)

    In deze fase of toestand ontstaat bij het zelf een (schuld) bewustzijn, een gevoel van oprecht berouw en spijt over de zaken die men verkeerd doet. Het zelf is in dit stadium rusteloos. Deze rusteloosheid is een noodzakelijke stap in een beweging voorwaarts, want zonder bewustwording, zonder bevraging van het zelf, is vooruitgang onmogelijk. Door eerlijke spijt, wordt het zelf hier zoekend naar een manier om zich te verbeteren. Onder meer door het vergaren van kennis van de Koran en de Sunnah en door het zich eigen maken van zelfdiscipline, kan dit zelf leren controle verwerven over het lagere zelf.
    Al nafs al mutmainnah (vredige zelf)

    Dit proces mondt uiteindelijk uit in een toestand van harmonie, waarin de ziel volledig bevrijd is van de greep van Satan. In deze toestand, heeft het zelf zich volledig overgegeven aan God. Dit is de ware betekenis van Islam, van de Arabische stam {s-l-m} of overgave aan God.

    “O nafs [ziel, zelf] die rust gevonden heeft, keer tevreden en met welgevallen aanvaard terug naar jouw Heer.” (Koran 89:27-28)

    De lokroep van het lagere zelf om gevolg te geven aan de verleiding van materiële, aardse zaken is volledig gebroken. Het zelf geeft zich over aan God, en vindt diep vanbinnen, rust, harmonie en tevredenheid. Indachtig dat zowel voor- als tegenspoed niet kunnen gebeuren zonder de toestemming van God, klaagt dit zelf niet meer bij tegenslag, en is het niet meer uitbundig bij voorspoed. Het dankt God tevreden voor alles, erkent de eigen fouten en tekortkomingen, en schept niet meer op over eigen prestaties. Iemand die deze fase bereikt heeft, erkent de Almacht van God en omarmt het besef dat hij niets is en nergens staat zonder God:

    “Als God jullie helpt, kan niemand jullie verslaan, maar als Hij jullie in de steek laat, wie is er die jullie daarna nog helpen kan? Op God is het dat de gelovigen hun vertrouwen moeten stellen.” (Koran 3:160)

    In deze toestand, in deze fase, imiteert het karakter de impulsen van de Engel, en wordt het hart een woonplaats voor de Engel die het goede pad verlicht. Het is de bedoeling dat uiteindelijk deze laatste toestand volledig primeert. Dit is het ideaal waar elke muslim moet naar streven.

    De Koran spreekt hier van een “louteren” van het zelf:

    “Bij een nafs [ziel, zelf] en wie haar heeft gevormd! En die haar toen haar zondigheid en haar godvrezendheid heeft ingegeven! Wel gaat het wie haar loutert. Maar teleurgesteld wordt wie haar laat verkommeren” (Koran 91:7-10)

    De purificatie van het zelf is een proces waarbij het zelf gezuiverd wordt van alle satanische invloed en waarin de satan (een slechte jinn) in het eigen zelf, overmeesterd wordt en dienbaar gemaakt wordt aan de persoon in plaats van omgekeerd.

    De Profeet zei: “Er is niemand onder u in wie er geen duivel is.” Zij zeiden: “Zelfs in u, O Boodschapper van God?” Hij zei: “Zelfs in mij, maar God hielp mij hem te overmeesteren en hij heeft zich aan mij onderworpen, dus beveelt hij mij niets meer dan goede dingen” (Muslim)

    Het bereiken van innerlijke vrede vereist dus dat men zich volledig inzet om de duivel in zichzelf te onderwerpen. En wie het zelf verandert, wordt door God geholpen.

    “… God verandert de toestand waarin mensen verkeren niet zolang zij niet veranderen wat er in hun zelf is… ” (Koran 13:11) [13]

    Hij helpt dus alleen diegenen die zelf op weg gaan in de spirituele reis van het leven. De essentie van het leven is volgens dit model immers een inwaartse tocht. Het maakt niet uit hoeveel kilometers ver weg men op vakantie trekt, overal draagt men het eigen innerlijke met zich mee. De ware reis van het leven, is een reis naar binnen. Het is een ontdekken van de toezegging die de ruh deed bij zijn schepping dat hij God als Heer erkent, en het vervolgens inrichten van het leven om die primordiale toestand van harmonie opnieuw te bereiken, ten bate van zowel het individu als de samenleving. Dit vereist een psychospirituele transformatie, die op gang getrokken wordt door het onder controle brengen van het lagere zelf.

    De strijd tegen het lagere zelf en tegen de satan, is in de Islam een belangrijke – zoniet de belangrijkste – vorm van Jihad. [14] Profeet Mohamed zei:

    “De mujahidun is hij die streeft tegen zijn zelf in gehoorzaamheid tot God, de Machtige en Majestueuze” (Tirmidhî, Ibn Mâjah, Ibn Hibbân, Tabarânî, Hâkim, e.a.)

    Voor deze Jihad, zijn onder meer geloof en geduld essentiële middelen. Omwille van het grote belang ervan, zal sabr (volhardend geduld) in een afzonderlijke tekst uitgewerkt worden. In het kort komt het hierop neer dat geduld in Islamitische zin geen passieve slaafse aangelegenheid is, maar een betrokken inzet vereist waarmee men voorkomt dat men het kwade zou doen, en goede werken in de hand werkt.

    2.8. Geloof en ongeloof

    Het is in het hart, dat al deze conflicterende tendensen zich met elkaar meten. Inzet van de strijd, is het hart als woonplaats – voor de Engel, of voor de satan.

    Tegen deze achtergrond, vinden termen als geloof en ongeloof hun volle Koranische betekenis. Een gelovige is iemand die zijn lage zelf (waarin de eigen satan god wil zijn) onder controle brengt en onderwerpt, om zo de weg in het hart volledig vrij te maken voor God. Het is een overgave aan God waarbij in het hart voor niets anders dan God nog plaats is. Een ongelovige, is iemand die beheerst wordt door z’n lagere zelf dat hem aanzet het huidige leven te verkiezen boven het hiernamaals. Het is iemand die zijn verlangens (en dus de eigen satan) tot godheid verheft en deze aanbidt. Die ongelovige zal in navolging van de keuze die hij op aarde gemaakt heeft in het hiernamaals bij de satans in “het hellevuur” verblijven, de gelovige heeft veel kans in de hemel te geraken, bij de Engelen.

    “Dan zal voor wie de grenzen overschreed en het leven van deze wereld verkoos het hellevuur de verblijfplaats zijn. Maar dan zal voor wie vreesde om voor zijn Heer te staan, en de neigingen van zijn zelf aan banden legde, de tuin de verblijfplaats zijn.” (koran 79:37-41)

    2.9. De Ideale Muslim

    2.9.1. Belang van ontwikkelen van de persoonlijkheid

    In de Islam is het zo dat in het ontwikkelen van het zelf naar een ideaal toe, de zingeving van het leven, moraliteit, geloof, en psychologie elkaar ontmoeten. Die psychospirituele en morele evolutie is een levensdoel voor de individuele muslim. Daarmee wordt duidelijk dat geestelijke gezondheid in de Islam niet gedefinieerd wordt als afwezigheid van ziekte, maar veel ruimer begrepen wordt en dat ook voor mensen die geen psychische problemen hebben, er steeds verder gewerkt moet worden aan het vervolmaken en polijsten van de persoonlijkheid. In dat hele transformatiegebeuren, moet het lagere zelf overwonnen worden om uiteindelijk te komen tot een volledige overgave aan God via een leven dat zich oriënteert op de Goddelijke Bepalingen van goed en kwaad. Dit alles gebeurt met het oog op een beoordeling daarvan op Oordeelsdag, zodat het in wezen gaat om de uitbouw van een morele, normen- en waardegebonden persoonlijkheid:

    Er werd aan Profeet Mohamed gevraagd: “Welke muslim heeft perfect geloof?”. Hij antwoordde: “Hij die het beste moreel karakter heeft” (Tibrani)

    In de Koran en de Sunnah wordt er herhaaldelijk de aandacht op gevestigd dat geloven alleen niet voldoende is, dat men zich er ook moet naar gedragen. Een mens gedraagt zich in overeenstemming met zijn karakter. Daaraan werken, maakt dan ook de essentie van de ‘test’ uit, de essentie van het levensdoel, van de kans op de hemel. Vermits gedrag op Oordeelsdag beoordeeld zal worden, speelt het karakter dat dit gedrag stuurt een cruciale rol in het geloofsleven:

    De Profeet zei: “Er is niets dat zwaarder is dan goed karakter dat in de schaal gelegd wordt van een gelovige op de Dag van de Opstanding”. (gemeld door Abud Darda’, in Abu Dawud)

    De Apostel van God zei: “Door zijn goed karakter zal een gelovige de graad bereiken van iemand die bidt gedurende de nacht en vast gedurende de dag” (gemeld door Aisha, Ummul-Mu’minin, de “moeder van de gelovigen”, in Sunan Abu Dawud).

    In het eigen gedrag, geraken ook anderen betrokken. De Koran en Sunnah besteden grote aandacht aan de sociale implicaties van de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid: de ander moet er ook beter van worden, of mag er in elk geval niet door geschaad worden. Zo zegt de Profeet over een vrouw die vaak bidt en de vasten onderhoudt maar die zich erg onbeschoft gedraagt tegenover haar buren, dat ze naar de hel zal gaan:

    Een man vroeg! “O Boodschapper van God! Er is een vrouw die bidt, aan liefdadigheid doet en vaak vast, maar ze kwetst haar buur met haar woorden (door hem te beledigen).” De Boodschapper van God zei: “Ze zal naar de Hel gaan”. De Man zei: “O Boodschapper van God! Er is een andere vrouw die bekend staat voor hoe weinig zij vast en bidt, maar ze geeft aan goede werken van de gedroogde yoghurt die ze maakt, en ze doet haar buren geen kwaad.”. Hij zei: “Zij zal naar het Paradijs gaan”. (gemeld door Abu Hurayrah, in Musnad Ahmad)

    2.9.2. Kenmerken van de Ideale Muslim

    Welke zijn nu de kenmerken van de ideale muslim? Wat is de ideale Islamitische Persoonlijkheid? De Koran en de Sunnah verschaffen daarover heel veel informatie. Het leven van de Profeten (en in het bijzonder van Profeet Mohamed omdat over hem veel gedetailleerde gegevens bewaard bleven) fungeert daarbij als rolmodel, als een soort toepassing in de praktijk van het Woord van God. Het lijstje hierna is uiteraard niet volledig. Het biedt echter een goede kijk op het persoonlijkheidsideaal waar de Koran en Sunnah naar streven.

    De ideale Muslim…

    … wordt gedreven door goede intenties

    ‘Umar ibn al-Khattab zei dat Gods Boodschapper zei: “De beloning voor handelingen hangt af van de intenties en elke persoon zal beloond worden volgens wat zijn intenties waren. Dus diegene wiens emigratie voor God en Zijn Boodschapper was, dan was zijn emigratie voor God en Zijn Boodschapper, en diegene wiens emigratie was om een wereldlijk doel te bereiken of een vrouw te huwen, dan was dat waarom hij emigreerde.” (Bukhari, Muslim)

    … doet voor zijn naaste wat hij zelf graag heeft

    “Je bent geen gelovige tot je voor je broeder graag hebt wat je voor jezelf graag hebt” (Mishkaat)

    … is nederig, niet hoogmoedig noch verwaand

    “Wend je wang niet hoogmoedig van de mensen af en loop niet verwaand op de aarde rond. God bemint geen enkele ingebeelde en verwaande.” (Koran 31:18)
    “‘Gaat de poorten van de hel binnen om er altijd in de blijven.’ Dat is pas echt een slechte verblijfplaats voor de hoogmoedigen.” (Koran 16:29)

    … neemt in alles matiging in acht en schuwt extremen [15]

    Gods Boodschapper zei: “Bemin degene van wie je houdt met mate, misschien zal hij op een dag iemand worden waarvoor je haat voelt, en haat diegene voor wie je haat draagt met mate, want misschien wordt hij op een dag iemand die je graag zal zien.” (Gemeld door Abu Hurayrah, in Tirmidhi)
    “En wees gematigd in jullie lopen en spreek met een zachte stem….” (Koran 31:19)
    “Jullie die geloven! Zeg niet dat de goede dingen die God jullie heeft toegestaan verboden zijn en begaat geen buitensporigheden; God bemint diegenen die buitensporigheden begaan niet.” (Koran 5:87)

    … doet goede werken

    “God is met hen die godvrezend zijn en hen die goed doen.” (Koran 16:128)
    “Als iemand iets goed doet is het in het voordeel van zijn eigen ziel, en als iemand verkeerd doet dan is dan in zijn nadeel. Uiteindelijk zullen jullie tot jullie Heer teruggebracht worden.” (Koran 45:15) [16]

    … is vrijgevig, niet krenterig

    “Zij die gierig zijn met wat God hun van Zijn goedgunstigheid gegeven heeft, moeten niet denken dat het goed voor hen is. Welnee het is slecht voor hen; op de opstandingsdag zal dat waarmee zij gierig waren hen om de nek worden gehangen…” (Koran 3:180)
    “(…) En wie voor de eigen hebzucht begoed worden, zij zijn het die het welgaat.” (Koran 59:9)
    “Jullie die geloven! Maakt jullie aalmoezen niet waardeloos door gepoch en ergernis zoals hij die zijn bezit weggeeft om door de mensen gezien te worden maar zonder te geloven in God en de laatste dag…” (Koran 2:264)
    “Jullie zullen de vroomheid niet bereiken totdat jullie van wat jullie liefhebben bijdragen geven, God weet ervan.” (Koran 3:92)
    “…En wie voor de hebzucht van het zelf behoed worden, dat zijn zij die het welgaat…” (Koran 64:16) [17]

    … heeft verantwoordelijkheidszin

    “De Boodschapper van God zei: “Elk van u is een bewaker en is verantwoordelijk voor diegenen voor wie hij instaat. Dus de heerser is een bewaker en is verantwoordelijk voor zijn onderdanen; een man is de bewaker van zijn gezin en is verantwoordelijk voor diegenen voor wie hij moet zorgen; een vrouw is bewaker van de woning van haar man en is verantwoordelijk voor diegenen voor wie zij moet zorgen; een bediende is bewaker van de rijkdom van zijn baas en is verantwoordelijk voor datgene dat aan hem toevertrouwd werd; en een man is bewaker van de rijkdom van zijn vader en is verantwoordelijk voor datgene waarvoor hij moet zorgen. Dus elk is een bewaker en is verantwoordelijk voor hetgeen aan hem toevertrouwd werd.” (Gemeld door Umar, in: Bukhari, Muslim) [18]

    … is trouw aan gegeven woord en bewaart een geheim

    “Komt Gods verbintenis na wanneer jullie een verbintenis aangaan en verbreekt de eden niet na de bekrachtiging ervan …” (Koran 16:91)
    “En gebruik jullie eden niet voor onderlinge arglistigheid, want dan glijdt een voet na stevig gestaan te hebben uit en proeven jullie het kwade omdat jullie Gods weg versperden en is er voor jullie een pijnlijke bestraffing.” (Koran 16:94)
    “Profeet Mohamed zei: diegene die iets ziet dat verborgen moet blijven en het verbergt zal zijn zoals iemand die een meisje dat levend begraven werd weer tot leven brengt.” (Gemeld door Uqbah ibn Amir, in Abu Dawud)

    … is oprecht, en schuwt hypocrisie

    “De huichelaars en de huichelaarsters horen bij elkaar, zij gebieden het verwerpelijke, verbieden het behoorlijke en houden hun handen stijf op hun beurzen; zij vergeten God en dus vergeet Hij hen. De huichelaars, dat zijn de verdorvenen.” (Koran 9:67)

    … is minzaam en vermijdt leugens en conflicten

    De Profeet zei: ‘Ik garandeer een huis in de omgeving van het Paradijs voor iemand die geruzie vermijdt zelfs als hij in zijn recht is, een huis in het midden van het Paradijs voor iemand die leugens vermijdt zelfs al grappend, en een huis in het bovenste deel van het Paradijs voor iemand die zijn karakter goed gemaakt heeft.” (Gemeld door Abu Umamah, in Abu Dawud)

    … belichaamt zachtmoedigheid, zelfbeheersing, vriendelijkheid en vergevingsgezindheid

    “Streeft naar vergeving van jullie Heer en naar een tuin zo breed als de hemelen en de aarde die klaargemaakt is voor de godvrezenden die bijdragen geven in voorspoed en tegenspoed en die hun woede inhouden en de mensen vergeving schenken.” (Koran 3:133-134)
    De Profeet zei: “Minacht geen enkele goed daad zelfs is het maar het groeten van uw broeder met met een blij gezicht.” (Muslim)
    De Profeet zei: “uw glimlachen naar uw broeder is een daad van liefdadigheid.” (Tirmidhi)
    De Profeet zei: “Maak de zaken gemakkelijk, niet moeilijk, en wees opgewekt, niet bedreigend” (Met eenstemmigheid)

    … kent geen afgunst maar is tevreden met wat hij heeft

    De Profeet zei: “Rijkdom is niet het hebben van veel bezit, maar rijkdom is de rijkdom van de ziel, het zelf (tevredenheid)” (Gemeld door Abu Hurayrah, in: Muslim)
    De Profeet zei: “Vermijd afgunst, want afgunst verslindt goede daden zoals vuur brandstof verslindt.” (Gemeld door Abu Hurayrah, in: Abu Dawud)

    … onderdrukt de anderen niet maar beschouwt alle mensen als gelijken

    “De Profeet zei: “God heeft aan mij geopenbaard dat jullie nederig moeten zijn, zodat niemand de andere onderdrukt, noch opschept.” (Gemeld door Iyad ibn Himar, in: Abu Dawud)
    “O mensen! Waarlijk jullie Heer is Eén en jullie vader (Adam) is één. Een Arabier is niet beter dan een niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; een blanke is niet beter dan een zwarte en een zwarte is niet beter dan een blanke – behalve in termen van vroomheid en goede daden”. (Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld door Imaam Ahmad)
    De Profeet zei: “Er is geen zonde die meer in aanmerking komt om door God aan diegene die deze zonde begaat op voorhand in deze wereld bestraft te worden samen met wat Hij voor hem in petto houdt voor het hiernamaals, dan onderdrukking en het verbreken van relaties.” (Gemeld door Aby Bakrah, in: Abu Dawud)
    De Profeet zei: “Kijk uit voor het begaan van onderdrukking want op de Dag van de Verrijzenis zal onderdrukking duisternis zijn, en kijk uit voor hebzucht want hebzucht heeft diegenen die voor jullie kwamen vernietigd, het leidde hen naar bloedvergieten en naar het wettig maken van datgene wat voor hen verboden was.” (Gemeld door Jaabis ibn Abdullah, in: Muslim)

    … kenmerkt zich door geduld

    “Jullie die geloven! Neem jullie toevlucht tot geduld en salaat [gebed]. God is met hen die geduldig volharden.” (Koran 2:153)

    … respecteert de gewetensvrijheid van anderen

    “Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen.” (Koran 88:22-23)

    … is verdraagzaam en gaat niet in op provocaties

    “Wanneer jij hen ziet die onze tekenen bespotten, wend je dan van hen af totdat zij op een ander gesprek overgaan…” (Koran 6:68)

    … gaat geen scheldpartijen aan en bespot anderen niet

    “En hoont niet hen die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit vijandigheid en zonder kennis gaan honen.” (Koran 6:108)
    “Jullie die geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien zijn zij juist beter dan zij! (…) En maakt geen aanmerkingen op elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen…” (Koran 49:11)

    …zwijgt tenzij hij iets goed te zeggen heeft

    “Abu Hurayrah vertelde dat de Profeet van God zei: “Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem zeggen wat rechtschapen is, of zwijgen. Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vriendelijk zijn voor zijn buur. En wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vrijgevig zijn voor zijn gast.” (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Muslim)

    … is goed voor zijn buren, ongeacht hun geloof

    “Hij die eet tot hij gevuld is terwijl zijn buur naast hem honger heeft, is geen gelovige” (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Bukhari)
    Een man vroeg! “O Boodschapper van God! Er is een vrouw die bidt, aan liefdadigheid doet en vaak vast, maar ze kwetst haar buur met haar woorden (door hem te beledigen).” De Boodschapper van God zei: “Ze zal naar de Hel gaan”. De Man zei: “O Boodschapper van God! Er is een andere vrouw die bekend staat voor hoe weinig zij vast en bidt, maar ze geeft aan goede werken van de gedroogde yoghurt die ze maakt, en ze doet haar buren geen kwaad.”. Hij zei: “Zij zal naar het Paradijs gaan”. (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Musnad Ahmad, gemeld door Abu Hurayrah)

    … moeit zich niet in andermans zaken, doet niet mee aan achterklap, verspreidt geen laster, geen leugens en geen roddels

    “Zal Ik jullie mededelen tot wie de satans neerdalen? Zij dalen neer tot elke zondige lasteraar. Dezen luisteren scherp en de meesten van hen zijn leugenaars.” (Koran 26:221-223)
    “Jullie die geloven! Vermijdt vele vermoedens – sommige vermoedens zijn zonde – en spioneert niet en roddelt niet over elkaar…” (Koran 49:12)
    De Profeet zei: “Behorende tot de perfectie van iemands Islam is dat hij hetgeen waarmee hij geen zaken heeft, met rust laat.” (gemeld door Abu Hurayrah, in Tirmidhi en anderen)

    … springt met alles zuinig om en verkwist niets

    “Kinderen van Adam! Doe jullie mooie kleding aan bij elke moskee en eet en drinkt, maar weest niet verkwistend. Hij bemint de verkwisters niet.” (Koran 7:31)
    “De verspillers zijn de broeders van de satans en de satan is jegens zijn Heer ondankbaar.” (Koran 17:27)

    … gaat zorgzaam om met het milieu en de dieren [19]

    “Er is geen man die zelfs maar een spreeuw of iets kleiner kan doden zonder dat het dit verdient, of God zal hem erover ondervragen.” (Gemeld door Ibn ‘Omar en door Abdallah bin Al-As An-Nasai).

    … is genadevol, vergevingsgezind

    De Profeet zei: Wie geen genade heeft voor anderen zal geen genade ontvangen van God” (Gemeld door Hadrat Jarir bin Abdullah, in: Bukhari, Muslim)

    … voert rechtvaardigheid hoog in het vaandel

    “Jullie die geloven! Weest standvastig in de gerechtigheid als getuigen voor God, al is het tegen jullie zelf of de ouders of de verwanten. Of het nu om een rijke of een arme gaat, God staat hen beiden zeer na…” (Koran 4:135)
    “En geeft de volle maat en behoort niet tot hen die verlies veroorzaken. En weegt met de juiste weegschaal. En doet de mensen niet tekort in de dingen die van hen zijn en veroorzaakt geen ellende op de aarde door verderf te zaaien.” (Koran 26:181-183)
    “Jullie die geloven! Weest standvastig voor God als getuigen van de rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde mensen jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Wees rechtvaardig, dat is dichter bij godvrezendheid. En vreest God. God is welingelicht over wat jullie doen.” (Koran 5:8)

    … respecteert zijn ouders

    “En jouw Heer heeft bepaald dat jullie alleen Hem zullen dienen en dat men goed moet zijn voor de ouders; of nu een van tweeën of allebei bij jou de ouderdom bereiken, zeg dan niet:’Foei’ tegen hen, bejegen hen niet onheus en spreek op een hoffelijke manier tot hen. En wees uit barmhartigheid voor hen nederig en ontvankelijk en zeg: ‘Mijn Heer, erbarm U over hen, zoals zij mij grootbrachten toen ik klein was.’ (Koran 17:23-24)

    … beantwoordt gedrag met iets dat beter is

    “En de goede daad en de slechte daad zijn niet gelijk; weer die [slechte daad] af met iets dat beter is. Dan zal hij, tussen wie en jou vijandschap was, een boezemvriend worden. Maar het wordt slechts aan hen die geduldig volharden aangeboden; het wordt slechts aangeboden aan iemand met geweldig geluk.” (Koran 41:34-35)

    3. Aandachtspunten voor het benaderen van concrete problemen als angst, depressie, verdriet,…

    Onderweg naar het ideaal kan zich psychisch lijden voordoen. Uit het theoretisch model kunnen een aantal concrete focuspunten gedistilleerd worden die behulpzaam zijn bij de Koranische benadering van psychospirituele problemen als angst, verdriet, depressie, stress en zo meer.

    3.1. Problemen maken deel uit van het leven

    Lijden – ook psychisch lijden – wordt (voor zover men het niet zelf veroorzaakt heeft) gesitueerd binnen het kader van de grote test van het aardse leven. Lijden is dus, net als geluk, een noodzakelijk kenmerk van het leven dat vanuit dit model zin krijgt, betekenisvol wordt en daardoor ook draaglijk wordt.

    “. .. en Wij stellen jullie op de proef met het slechte en met het goede…” (Koran 21:35)

    Door een probleem te kaderen als onontbeerlijk onderdeel van de test van het leven, wordt elke calamiteit omgevormd tot een kans, tot een gelegenheid om deze test succesvol te doorlopen en zowel de innerlijke vrede als een verblijf in de paradijselijke Tuin een stapje dichterbij te brengen. Aan elk lijden wordt op die manier een positieve dimensie gegeven.

    Gods Apostel zei: “Als God voor iemand goed wil doen, stuurt hij hem beproevingen.” (Gemeld door Abu Hurrayrah, in: Bukhari)

    3.2. Relativiteit van het huidig leven

    Profeet Mohamed drukte het samenspel van het hier en het hierna als volgt uit:

    “Werk voor dit leven alsof je eeuwig zal leven, en werk voor het leven hierna alsof je morgen zal doodgaan.”

    Volgens de Islam hangt de manier waarop men het eeuwig leven zal doorbrengen, af van hoe men zich tijdens het aardse bestaan gedraagt. Het huidig leven is met andere woorden geen doel op zich, maar slechts middel om het doel van een gelukzalig eeuwig leven te bereiken. Door altijd het uiteindelijke doel voor ogen te houden – het hiernamaals – wordt elk huidig lijden gerelativeerd: het huidig leven is slechts een passage. Hetgeen gevoelens van angst, neerslachtigheid, verdriet, en zo meer, veroorzaakt, kan men niet altijd veranderen. Maar wat men wel kan veranderen, is de manier waarop men er mee omgaat. Het Koranisch model spoort muslims aan om de blik te verleggen van het probleem, naar het eeuwig leven. Daardoor wordt het probleem al onmiddellijk aanzienlijk gereduceerd. Hoe meer men echter met het probleem bezig is, hoe groter en belangrijker het zal lijken juist omdat men er zoveel aandacht aan besteedt. Dit geldt bij uitbreiding voor het ganse leven: hoe meer men bezig is met het aardse bestaan, hoe meer zorgen men erover zal hebben:

    “De Boodschapper van God zei: “God zal van wie het hiernamaals als hoofdbezorgdheid heeft, het hart vullen met gevoelens van rijkdom en onafhankelijkheid (…). Wie deze wereld als zijn hoofdbezorgdheid neemt, daar zal God ervoor zorgen dat deze persoon zich voortdurend angstig en arm voelt (…)” (Tirmidhi)

    Muslims wordt dus steeds voor ogen gehouden – ook wanneer zich een probleem voordoet – dat dit bestaan van korte duur is en dat men zich op geen enkel aspect van dit leven, geluk of verdriet, mag fixeren. Het aspect van het probleem dat men kan veranderen, verandert men, en voor de rest, legt men de blik ver voorbij het probleem, bij het hiernamaals. Lijden, is niet te vermijden, het vormt een essentieel onderdeel van het leven. Maar er is hoop voor diegenen die het Paradijs bereiken, want zij zullen van al hun psychisch lijden zoals droefheid verlost worden:

    “Zij zullen de tuinen van Eden binnengaan (…) En zij zeggen: “Lof zij God die van ons de droefheid heeft weggenomen” (Koran 35:34)

    3.3. God helpt wie (aan zijn) zelf iets doet

    Overgave aan God is geen passief gebeuren. Het vereist een volledige betrokkenheid om het rechte pad te bewandelen en het kwade te mijden. Apathisch zitten wachten op een oplossing, is onislamitisch. Wanneer men voor een probleem staat, moet men het analyseren en inschatten of en in welke mate men er zelf iets kan aan doen. Dat begint in de eerste plaats bij het aangrijpen van de kansen die het probleem schept voor de purificatie van het zelf.

    ” God verandert de toestand waarin mensen verkeren niet tot zij veranderen wat in hun zelf is.” (Koran 13:11)

    Leiding door God wordt volgens dit model slechts gegeven aan diegenen die zelf iets ondernemen, zichzelf proberen te beteren, op zoek gaan naar God. Vermits problemen mogelijkheden bieden om dit te doen, wordt lijden omschreven als een kans op grond waarvan men deze leiding door God kan bekomen.

    “Wij zullen jullie op de proef stelen met iets van vrees, honger en tekort aan bezittingen, levens en vruchten, maar verkondig het goede nieuws aan hen die geduldig volharden, die, als onheil hen treft, zeggen: “Wij behoren aan God toe en tot Hem zullen wij terugkeren.” Zij zijn het met wie hun Heer mededogen heeft en erbarmen; zij zijn het die op het goede pad geleid worden.” (Koran 2:155-157)

    Naast het werken aan het zelf, moet men alles in het werk stellen om het probleem op te lossen. Slechts voor die aspecten van het probleem waar men niets kan aan doen, beveelt de Koran aan ze met volhardend geduld te dragen. Ook dat is echter een manier van omgaan met een probleem, en maakt deel uit van de training van het zelf.

    3.4. God geeft niet meer te dragen dan men aankan

    De Koran stelt:

    “Wij leggen niemand meer op dan hij kan dragen” (Koran 6:152)

    In de Arabische versie wordt het woord “nafs” gebruikt. Een betere vertaling is dan ook: “Wij leggen geen enkele ziel meer op dan wat zij kan dragen.” God belast de mens niet hoger dan de draagkracht van zijn ziel, van zijn zelf – en die draagkracht wordt bepaald door de sterkte van het geloof in God. Wie een sterk geloof heeft, zal zwaarder getest worden maar zal ook meer aankunnen.

    Deze benadering schenkt muslims vertrouwen in het eigen kunnen. Het vers zegt dat God geen problemen te dragen geeft die men niet aankan. Het is dus God zelf die een mens in nood zegt: je kan dit aan. De psychospirituele boodschap van de Koran zet met andere woorden aan tot zelfvertrouwen en tot een optimistische kijk op het leven. Een muslim kan dan ook geen enkele reden aanhalen om te wanhopen.

    “Aan Gods bemoediging wanhopen slechts de ongelovigen.” (Koran 12:87)

    Sterker, wanhoop wordt omschreven als een uiting van ongeloof vermits het impliceert dat men twijfelt aan de waarheid van de Woorden van God, met name waar God zegt dat Hij niemand meer oplegt dan hij kan dragen.

    3.5. Probleem als opportuniteit om vergeving van zonden te bekomen

    Profeet Mohamed zei dat elke elk lijden, zelfs de prik van een doorn, maar ook psychisch lijden, zal bijdragen tot het vergeven van de zonden op Oordeelsdag.

    De Boodschapper van God zei: “Niets van vermoeidheid, ziekte, problemen, zorgen, verdriet of schade, zelfs al is het maar een prik van een doorn, overkomt een muslim, of God zal het aanvaarden als vergiffenis voor enkele van zijn zonden.” (Muslim)

    Lijden is geen holle doos, het heeft een rijke vulling en biedt tal van kansen. De gelovige moet dus blij en dankbaar zijn voor het lijden waarmee God hem op de proef stelt. Een muslim heilige zei ooit: “Als er een dag voorbijgaat zonder problemen, vrees ik dat God boos op mij is”.

    Om de baten van het lijden te oogsten, is van essentieel belang hoe men met dit “lijden” omgaat. Wanneer men het met volhardend geduld aanvaardt als onderdeel van de test van het leven, zal men er in het hiernamaals de vruchten van proeven. Hoe belangrijk de baten wel zijn, blijkt uit volgende uitspraak van de Profeet Mohamed, waarin een vrouw de keuze gegeven wordt te genezen van epilepsie of geduldig haar ziekte te dragen en als beloning daarvoor tot het Paradijs toegelaten te worden.

    Ibn ‘Abbas zei tegen mij: “Zal ik je een vrouw tonen van de mensen van het Paradijs?” Ik zei, “Ja.” Hij zei, “Deze zwarte dame kwam bij de Profeet en zei: “Ik krijg aanvallen van epilepsie en mijn lichaam geraakt daardoor onbedekt, aanroep alstublief God voor mij”. De Profeet sprak tot haar: “Als je wil, wees geduldig en je zal het Paradijs binnengaan; en als je wil zal ik God aanroepen om je te genezen.” Zij zei, “Ik zal geduldig blijven,” en voegde er aan toe, “maar ik zal onbedekt geraken, dus aanroep alstublief God voor mij opdat ik niet onbedekt zou zijn.” Dus aanriep hij God voor haar.” (Uitspraak van de Profeet, gemeld door ‘Ata bin Abni Rabah, in: Bukhari)

    Het Arabisch woord voor geduld is zoals eerder gezegd sabr. Het betreft hier geen apathisch geduld, geen apathisch ondergaan, maar een volhardend geduld waarin het zelf zeer betrokken is in die zin dat men zich (het zelf) beheerst en dat men erover waakt dat het lijden geen aanzet is tot het doen van verboden zaken, maar dat men er juist kracht uit put om goede dingen te doen. In de Koranische betekenis, is geduld een zeer actief, geëngageerd gebeuren. Geduld kenmerkt zich ook vooral op het moment van de initiële shock. Uren of dagen na een shock kan iedereen geduld opbrengen, maar het is in de onmiddellijke reactie dat men geduldig moet zijn, moet vermijden het kwade te doen, en erop gericht moet zijn het goede te doen.

    De Profeet zei: “Het echte geduld zit in het eerste toeslaan van een calamiteit” (Gemeld door Anas, in: Bukhari)

    Ook hier weer wordt elk lijden vertaald in een reden voor dankbaarheid: het is een gunst van God, een kans om zonden goed te maken, een kans om in het Paradijs toegelaten te worden – niet zozeer het lijden zelf, maar de manier waarop men er mee omspringt biedt gelegenheid om zichzelf (of beter gezegd: het zelf) te overstijgen. De eerste generaties muslims wezen er op dat de mens zonder dergelijke beproevingen op Oordeelsdag zou aankomen met lege handen. Spanningen, stress, lijden, zijn dus een reden om zich te verheugen. Het zijn kansen om het goede te doen en het slechte te vermijden, kansen om de eigen weg naar de paradijselijke Tuin te plaveien.

    3.6. Vraag en er zal leiding gegeven worden

    De Koran stelt dat God een vraag om hulp nooit onbeantwoord laat:

    “En jullie Heer zegt: “Roept Mij aan, dan zal Ik jullie verhoren…. (Koran 40:60)
    “… Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van iemand die bidt, wanneer hij Mij aanroept…” (Koran 2:186)

    Een muslim staat dus nooit alleen met zijn moeilijkheden, en kan ten allen tijde bescherming zoeken in gebed:

    “Neemt jullie toevlucht tot geduld en salaat. Dat is veel, maar niet voor de deemoedigen die menen dat zij hun Heer ontmoeten en dat zij tot Hem terugkeren.” (Koran 2:45)

    God zegt: als het je allemaal wat te veel wordt: vraag dan Mijn hulp en Ik zal er voor jou zijn. Dat God op elke vraag antwoordt, wil uiteraard niet zeggend dat God elk probleem oplost. Het antwoord kan vele vormen aannemen – het kan bijvoorbeeld bestaan uit leiding om anders met het probleem om te gaan, of uit leiding om het zelf te beteren.

    De ultieme vraag is te vragen dat men niet meer zou vragen. Wanneer men de Oppermacht van God aanvaardt, en men zich ten volle aan Hem overgeeft, tellen eigen wensen niet meer, en vraagt men niet meer – want elke vraag aan God om iets te veranderen komt eigenlijk toch een beetje neer op het plaatsen van de eigen voorkeur boven de Alwetendheid van God, komt neer op een beetje gebrek aan vertrouwen in het geloof dat God weet wat best is, een klein beetje gebrek aan vertrouwen in Zijn genade en barmhartigheid.

    3.7. Lijden als kans voor verdiepen van overgave aan God

    Muslims worden hier geleerd dat lijden één van de wegen is waarlangs men zich kan overgeven aan God in plaats van aan het lagere zelf (en dus satan). In het hart, zijn twee tegengestelde krachten actief: die van satan, en die van God. Hoe meer men God gedenkt, hoe minder plaats er is voor Satan. Anders gezegd: hoe meer men bezig is met God, hoe minder het lagere en door satan aangevuurde zelf aan bod kan komen dat voortdurend met zichzelf en niet met God bezig is. Bidden en God verheerlijken is dan ook niet alleen een belangrijk middel in de purificatie van het zelf, het is ook een middel op problemen het hoofd te bieden. Door aan God te denken, worden de problemen van ondergeschikt belang, kan het lagere zelf niet op het voorplan treden en kan het de problemen niet aangrijpen als excuus voor het doen van slechte zaken.

    Lijden – bijvoorbeeld verdriet, angst, enz. – is iets dat de mens diep raakt en vasthoudt. Het is dan ook belangrijk het lijden los te laten. Psychisch lijden hangt ergens samen met het feit dat (men vreest dat) de zaken niet gaan zoals men dat zelf graag zou willen. In dat opzicht is het loslaten van het lijden, een loutering van de ziel, het is het loslaten van hetgeen het lagere zelf wil, om plaats te maken voor hetgeen God wil. Of anders gezegd: het achterwege laten van dat deel van het zelf dat zich nog niet vertrouwensvol overgegeven heeft aan God. Dit kan men doen door te bidden tot God. Volgens de Koran erg relativerend en rustgevend.

    “Waarlijk, in het gedenken van God vinden de harten rust.” (Koran 13:28)

    Volgens de Koran kan niets buiten het weten van God gebeuren. De Koran vermeldt dat God de Alwetende is. Eerder in de tekst kwam ook de liefdevolle aard van God ter sprake, en werd vermeld hoe de genadevolle liefde van God het menselijk bevattingsvermogen ver overstijgt. Men kan zich in dit Koranisch model dan ook in volle vertrouwen overgeven aan God.

    “… En wanneer iemand zijn vertrouwen stelt in God, is God voldoende voor hem.” (Koran 65:3)

    Dit is een eigen vertaling. De Arabische versie van het vers heeft een dubbele bodem: het kan betekenen dat voor wie vertrouwen stelt in God, God voldoende is, in die zin dat die persoon daar genoeg aan heeft en anders niets nodig heeft om tevredenheid, rust, harmonie te vinden. Het kan ook betekenen dat God voldoening geeft aan wie in Hem vertrouwt, dat zo iemand met andere woorden niets tekort komt. Het is moeilijk deze dubbele betekenis in het Nederlands te vertalen. Hoe dan ook is het zich overgeven aan God, een erkenning dat het eigen lijden talrijke kansen biedt voor het overstijgen van zichzelf en een betekenis heeft in het grotere geheel waar alleen God zicht op heeft. Voor deze overgave wordt men gesterkt door Koranverzen die stellen dat God best weet wat goed is voor de mens, zelfs als het voor de mens een harde noot is om te kraken

    “Maar misschien staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien hebben jullie iets lief dat slecht voor jullie is. God weet en jullie weten niet.” (Koran 2:216)

    Juist hierin ligt een kans tot overgave aan God. Tot het aanvaarden dat wat men er ‘zelf’ van denkt, niet uitmaakt. Dit heeft niets te maken met gelaten ondergaan, maar een dankbare, rustbrengende tevredenheid. De Profeet zei dat een gelovige er fantastisch voorstaat: alles wat hem overkomt, is goed voor hem.

    De Profeet zei: Hoe prachtig is de zaak van de gelovige! Alles wat hem overkomt is goed, en dat is enkel zo voor de gelovige. Als hem iets goed overkomt, betuigt hij er dankbaarheid voor, en dat is goed voor hem. En als hem iets slecht overkomt, draagt hij het met volhardend geduld, en dat is goed voor hem.” (Muslim)

    Voor wie zich op God richt, wordt al de rest van ondergeschikt belang – zij geraken vanuit dit model als het ware ‘bevrijd’ van aardse beslommeringen, bevrijd van de greep die satan via het lagere zelf op hen heeft. In de Islam, is de ware vrijheid van de ziel te vinden in de overgave aan God. Volgende woorden van Imam Ali sluiten hier bij aan:

    “Er zijn mensen die God aanbidden om Zijn Gunsten te verwerven
    Dit is de verering door handelaars;
    Terwijl sommigen Hem aanbidden om zichzelf te vrijwaren van Zijn Wraak;
    Dit is de verering door slaven;
    Een paar mensen, gehoorzamen Hem vanuit een gevoel van dankbaarheid en verantwoordelijkheid,
    Dit is de verering door vrije, nobele, mensen.
    – Imam Ali —

    3.8. Lijden aanpakken met Jihad

    Het woord Jihad komt van de stam {j-h-d} en betekent streven (om het goede te doen). In de Islam volstaat geloof niet, het moet samengaan met daden. Jihad is de concrete beleving van het geloof. Studeren om te slagen in een examen, een plaats op de tram afstaan aan een bejaarde dame, je buurman begroeten met een glimlach, werken aan het verbeteren van het eigen

  31. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 2:19 pm uur.

    Nogal wat mensen zijn ervan overtuigd dat de Koran voorschrijft dat alle niet-muslims onder dwang tot de Islam bekeerd moeten worden, of indien zij dit weigeren gedood moeten worden. Laten we echter redelijk zijn: als muslims er werkelijk al 1400 jaar (en intussen zijn ze al met ruim 1 miljard of een zesde van de wereldbevolking) hun zinnen op gezet hadden alle ‘ongelovigen’ te vermoorden, zouden we hier dan nog zijn? Zou de Ottomaanse islamitische Sultan Bajazet II de Joden opgevangen hebben toen ze een ruim vijfhonderd jaar geleden in Christelijk Spanje vervolgd en verdreven werden? Zou kalief Umar ibn al-Khattab in Jeruzalem, een paar honderd jaar voor de Christelijke kruistochten er een slachtpartij aanrichtten onder de muslims, een verdrag gesloten hebben met de christenen dat hen garandeerde dat ze hun geloof vrij konden beleven en dat hun kerken en kruisen niet zouden beschadigd worden? [1] In de Islam bestaat er een lange traditie van gastvrijheid ten aanzien van andersgelovenden. Dat Westerse islamofoben én extremisten in de muslimwereld die traditie (zowel in de leer als in de praktijk) wegvegen en het willen doen uitschijnen alsof de Islam erop gericht is alle niet-muslims onder dwang te bekeren tot het eigen model of te vermoorden, zegt alles over hun eigen conflictmodel dat onverdraagzaamheid propageert en een oorlog tussen het Westen en de Islam wil ontketenen. Ja, er zijn gevallen van mistoestanden waarbij religieuze minderheden in muslimlanden niet correct behandeld werden en net als elders zijn er ook in muslimlanden extremisten die al wie van hun overtuiging afwijkt als vijand beschouwen – maar is dat kenmerkend voor de leer? Of gaat het juist om misbruiken van die leer? Een analyse van de Koran en de Sunnah levert een antwoord op de vraag hoe muslims moeten omgaan met niet-muslims.

    1. Soorten niet-muslims

    Niet alle niet-muslims worden als ‘ongelovigen’ beschouwd. Kufr (ongeloof) — van de stam {k-f-r}: iets toedekken, niet bekend maken — is een term die gereserveerd wordt voor mensen die, nadat ze van de Islam kennis namen en ervan overtuigd geraakten dat dit de ware leer is, de Islam bewust verwerpen.

    “Dat zijn zij die geen geloof hechten aan de tekenen van hun Heer en aan de ontmoeting met Hem. Hun daden zullen dus vruchteloos zijn. Wij zullen hun op de opstandingsdag dan ook geen gewicht toekennen.” (Koran 18:105)

    Mensen die de Islam niet kennen, en dus Jahil (onwetend) zijn, worden niet tot de ‘ongelovigen’ gerekend. Iemand die oprecht op zoek is naar de waarheid maar die misleid of verkeerd geïnformeerd werd, en vanuit islamitisch standpunt een verkeerd beeld heeft van God of van de Islam, wordt niet als ongelovige beschouwd.

    Shirk, of veelgoderij (letterlijk: partnerschap), bestaat uit het erkennen en/of aanbidden van krachten buiten God. Terwijl een Kafir (ongelovige) niet in God gelooft (nadat dat hij kennis nam over het geloof), gelooft een Mushrik (polytheïst) wel in God, maar gelooft hij naast God nog in andere zaken zoals astrologie, engelen of idolen.

    “En als jij hun vraagt wie de hemelen en de aarde geschapen heeft zeggen zij: “God”. (Koran 31:25)

    Een christene wordt niet als Mushirk beschouwd. Het christendom gelooft weliswaar in de Heilige Drievuldigheid: er is God de Vader, God de Zoon, en God de Heilige Geest, maar dit zijn geen 3 aparte goden. Voor muslims, is de Drievuldigheid een soort vertroebeling van het zuivere geloof in één enkele God, maar daarom nog geen shirk – nergens in de Koran worden christenen en Joden als Mushrikun omschreven. Integendeel, christenen en Joden worden tot de Ahl Al-Kitab (Mensen van het Boek) gerekend. Joden en christenen kunnen volgens de Koran overigens net als muslims naar de hemel gaan als ze in God geloven en zich gedragen overeenkomstig de aan hun Profeten geopenbaarde heilige boodschap. [2]

    Irtidad (apostasie) is een term die toegepast wordt voor iemand die effectief muslim was maar de Islam de rug toekeerde. [3]

    Dahriyah (atheïsme, materialisme) is afgeleid van het Arabisch woord Dahr (tijd). De benaming is gebaseerd op een Koranisch verhaal over een Arabische paganistische stam die het bestaan van God, hemel en hel ontkende en in de plaats daarvan alle geluk en ongeluk exclusief toeschreef aan Tijd (en bij uitbreiding aan natuurwetten).

    “En zij zeggen: “Er is alleen maar ons tegenwoordige leven; wij sterven en wij leven en alleen door de tijd worden wij omgebracht.” (Koran 45:24)

    Nifaq (hypocrisie), ten slotte, is een term die gereserveerd is voor muslims. Munafiqun (hypocrieten) zijn mensen die met overtuiging stellen muslims te zijn maar dat in hun hart niet zijn – hypocrisie wordt daarom ook de ‘ziekte van het hart’ genoemd. De Koran verafschuwt hypocrisie. Hypocrieten wordt de diepste putten van de hel toegezegd, een plaats nog erger dan waar de ongelovigen zullen terechtkomen.

    “De huichelaars komen in de laagste verdieping van het vuur en jij zal voor hen geen helper vinden.” (Koran 4:145)

    Het grootste verwijt en de zwaarste straf in de Islam is dan ook gereserveerd, niet voor ongelovigen maar voor ‘muslims in naam’, die zich schuldig maken aan hypocrisie.

    In wat volgt wordt besproken hoe muslims zich horen te gedragen tegenover deze groepen van niet-muslims.

    2. Algemene Omgangsvoorschriften

    2.1. Gewaarborgde godsdienstvrijheid

    In weerwil van de misvatting dat een islamitische staat een staat is waarin iedereen zich moet bekeren tot de Islam, is een islamitische staat een land waar een rechtvaardige samenleving nagestreefd wordt. Dan kan, maar hoeft niet, bij middel van een wetgeving die gebaseerd is op de Koran en de Sunnah. En deze garanderen aan alle inwoners van een muslimstaat volledige godsdienstvrijheid[4] Het is muslims dan ook verboden mensen te dwingen zich aan te sluiten bij de Islam:

    “In de godsdienst is er geen dwang.” (Koran, 2:256)

    De taak van de gelovigen, beperkt zich tot het overbrengen van de Boodschap:

    “Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen.” (Koran 88:22-23)

    Godsdienstvrijheid is hèt fundament van de Islam. Er wordt zeer duidelijk gesteld dat God aan de mensen vrijheid van keuze gegeven heeft, en dat ieder individu verantwoordelijk is voor eigen keuzes en daden. Op de dag van het Laatste Oordeel zal ieder zich voor zijn daden moeten verantwoorden en daarvoor door God beloond of bestraft worden. Theologisch gezien, biedt ‘bekering’ tot de Islam overigens geen garantie op de hemel. Anders dan bij het christendom, waarvan de aanhangers zekerheid hebben op een plaats in de hemel en waarin bekering tot het christendom bijgevolg het enige middel is om de ziel te redden, is in de Islam het verwerven van het eeuwig leven in de hemel niet afhankelijk van de naam van het geloof waartoe men behoort, maar wel van de manier waarop men zich gedraagt. Wie zich gedraagt in overeenstemming met de boodschap van de Profeten, kan naar de hemel gaan, anders kan men in de hel terechtkomen. Ook muslims kunnen dus naar de hel gaan terwijl volgens de Islam een voorbeeldige christene naar de hemel kan gaan:

    “Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn.” (Koran 2:62)

    Dat godsdienstvrijheid gegarandeerd wordt, blijkt ook uit het gegeven dat volgens de Koran enkel God over geloof en ongeloof kan oordelen, vermits enkel God in de harten van de mensen kan kijken. Dit geldt zowel voor het oordeel over het geloof van een individu, als voor het beslechten van geloofstwisten.

    “Hij weet wat er binnen in de harten is.” (Koran 8:43)
    “Het oordeel komt alleen God toe.” ( Koran 12:67)
    “Bij hem zijn de sleutels van het verborgene, alleen Hij kent ze.” (Koran 6:59)

    De Koran draagt muslims expliciet op het oordeel over geloofsdisputen over te laten aan God.

    “En als een groep van jullie gelooft in dat waarmee ik gezonden ben een een groep niet gelooft, weest dan geduldig totdat God tussen ons oordeelt want Hij is de beste van hen die oordelen.” (Koran 7:87)
    “God zal op de opstandingsdag tussen jullie over dat waarover jullie het oneens waren oordelen”. (Koran 22:69)

    Wanneer een muslim oordeelt over het geloof van anderen, stelt hij zichzelf gelijk aan God, zet hij met andere woorden zichzelf op als partner van God, verbreekt hij het meest centrale geloofspunt dat er geen god is dan God, en catapulteert hij zichzelf uit de Islam. Muslims mogen niet oordelen over geloof en ongeloof. Er bestaat in de Islam ook geen excommunicatie.

    In een islamitische samenleving is het gedrag van muslims en niet-muslims onderworpen aan de strafwet, maar verder moet men zich onthouden van uitspraken en oordelen over het geloof van anderen, om zo de volledige godsdienstvrijheid te vrijwaren. Een groot aantal Koranische verzen over straffen die ongelovigen in het vooruitzicht gesteld worden, krijgt hiermee al meteen betekenis: het is telkens God (en niet een Muslim) die een straf (een plaats in de hel) voor de ongelovigen aankondigt:

    “Maar zij die ongelovig zijn en Onze tekenen loochenen, zij zijn het die in het vuur thuishoren, zij zullen daarin altijd blijven.” (Koran 2:39)

    2.2. Respect voor anderen

    De toon voor de omgang met niet-muslims wordt in de Koran gezet door volgend vers:

    “God verbiedt niet dat jullie hen die niet wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben en die jullie niet uit jullie woningen verdreven hebben, met respect en rechtvaardigheid te behandelen.” (Koran 60:8)

    Het daarop volgende vers verduidelijkt:

    “Maar God verbiedt dat jullie hun die wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben, die jullie uit jullie huizen verdreven en die bij jullie verdrijving geholpen hebben, bijstand verlenen. En zij die hun bijstand verlenen zijn de onrechtplegers”. (Koran 60:9)

    Op een gegeven moment waren ‘ongelovigen’ ten strijde getrokken tegen muslims. Na deze strijd vroegen muslims zich af hoe zij nu met hen moesten omgaan. De traditie wil dat in antwoord daarop bovenstaande verzen geopenbaard werden aan Mohamed. De verzen betekenen dat muslims vriendelijk en attent moeten omgaan met iedereen – ongeacht sekse, ras, nationaliteit, godsdienst,…[5] – ook met diegenen die voordien vijanden waren van de muslims en tegen hen streden. De uitzondering op deze regel betreft diegenen die muslims vervolgen omwille van hun geloof.

    2.3. Rechtvaardigheid

    Rechtvaardigheid tegenover niet-muslims wordt in verschillende verzen beklemtoond:

    “Jullie die geloven! Wees standvastig voor God als getuigen van de rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde mensen jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Weest rechtvaardig, dat is dichter bij godvrezendheid. En vreest God. God is welingelicht over wat jullie doen.” (Koran 5:8)

    “… als jij oordeelt, oordeel dan tussen hen met rechtvaardigheid. God bemint hen die rechtvaardig handelen.” (Koran 5:42)

    In de islamitische rechtspraak mogen muslims niet bevoordeeld worden omwille van hun geloof. Een qadi (rechter) mag enkel het bewijs overwegen. Verschillende voorbeelden uit de tijd van de kaliefen illustreren hoe de uitspraak van de rechtbank in het voordeel van de niet-muslim en het nadeel van de muslim uitviel. Zo hadden ten tijde van Umar bin al-Khattab een aantal muslims een stuk land gestolen van een jood en hadden ze op die grond een moskee opgetrokken. Dit was een duidelijke schending van de rechten van de jood die een dhimmi was (dit statuut wordt later besproken). Umar gaf hierop het bevel de moskee te slopen en het land terug aan de jood over te maken.

    2.4. Mildheid en geduld tegenover Islamhaters

    De regel zegt dus: wees vriendelijk tegenover alle niet-muslims. Het toepassingsgebied zegt: pas deze regel toe in alle omstandigheden, behalve tegenover diegenen die jullie voor jullie godsdienst vervolgen. Ook volgend vers sluit daarbij aan:

    “Jullie die geloven! Neem Mijn en jullie vijanden niet als medestanders waarbij jullie hun blijken van genegenheid geven. Zij hechten geen geloof aan de waarheid die tot jullie gekomen is en zij verdrijven de gezant en jullie omdat jullie in God, jullie Heer, geloven. (Koran 60:1)

    Dit vers handelt over een situatie van godsdienstvervolging waarbij de ‘heidense’ inwoners van Mekkah de muslims vervolgden omwille van hun geloof (“omdat jullie in God geloven”). Het lijkt nogal logisch dat de Koran adviseert geen vriendschapsbanden aan te gaan met diegenen die muslims omwille van hun geloof vervolgen. Immers:

    “… zij zullen niet nalaten jullie verderfelijke schade te berokkenen. Zij zouden voor jullie graag onheil willen. De haat blijkt openlijk uit hun monden, maar wat hun binnenste verbergt is erger.” (Koran 3:188)

    Echter, zelfs tegenover diegenen die de Islam vijandig gezind zijn wordt mildheid voorgeschreven, en wordt muslims aangeraden hoop te koesteren want:

    “Misschien dat God tussen jullie en hen die jullie als vijand beschouwen genegenheid zal brengen, God is Almachtig, en God is Vergevend en Barmhartig”. (Koran 60:7).

    De gemeenschap van muslims wordt in de Koran getypeerd als een “gemeenschap van de middenweg”. [6] Extremen worden te allen tijde geschuwd, ook in de reactie tegenover mensen die vijandig staan tegenover de Islam:

    “Haat uw vijand op milde wijze, hij kan op een dag uw vriend worden.” (Uitspraak door Profeet Mohamed, gemeld door al-Tirmidhi).

    In plaats van verhitte discussies aan te gaan die de gemoederen nog meer kunnen opjagen, raadt de Koran aan zulke potentiële conflicten te vermijden. Muslims wordt voorgeschreven niet in te gaan op provocaties, ze gewoon te negeren, en af te wachten tot het gesprek bij een ander onderwerp aanbelandt:

    “Wanneer jij hen ziet die onze tekenen bespotten, wend je dan van hen af totdat zij op een ander gesprek overgaan…” (Koran 6:68)

    In afwachting van een wending van het gesprek, wordt muslims voorgeschreven geduld te beoefenen en God te gedenken:

    “Verdraag wat zij zeggen dus geduldig en prijs de lof van jouw Heer …” (Koran 50:39)

    Muslims wordt overigens algemeen voorgeschreven gedrag telkens te beantwoorden met gedrag dat beter is. Op die manier, zal je vijand uiteindelijk je vriend worden, zegt de Koran:

    “Een goede daad en een slechte daad zijn niet gelijk. Beantwoord het slechte met iets dat beter is. Op die manier zal uw vijand uw vriend worden. Maar het wordt slechts aan hen die geduldig volharden aangeboden.” (Koran 41:34)

    2.5. Geen spot- of scheldpartijen, geen kwaadsprekerij maar zachtmoedigheid en matiging

    Muslims mogen op hun beurt anderen niet provoceren of uitschelden:

    “En hoont niet hen die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit vijandigheid en zonder kennis gaan honen.” (Koran 6:108)

    De Koran verbiedt hen ook anderen belachelijk te maken – immers, enkel God kan oordelen, en misschien zijn zij juist beter, zegt de Koran:

    “Jullie die geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien zijn zij juist beter dan zij! (…) En maakt geen aanmerkingen op elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen. (…)” (Koran 49:11)

    Een algemene gedragsregel is dat muslims moeten zwijgen tenzij ze iets goed te zeggen hebben:

    Abu Hurayrah vertelde dat de Profeet van God zei: “Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem zeggen wat rechtschapen is, of zwijgen. Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vriendelijk zijn voor zijn buur. En wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vrijgevig zijn voor zijn gast.” (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Muslim)

    Ze moeten in alles matiging nastreven, ook in hun stem – ze mogen dus niet beginnen roepen:

    “En wees gematigd in je lopen en spreek met zachte stem. De afschuwelijkste stem is immers de stem van de ezels.” (Koran 31:19)

    2.6. Omgang met niet-gelovige buren: goede werken en verdraagzaamheid

    In de Koran en Sunnah slaat het woord ‘buren’ op de mensen in de naaste omgeving, ongeacht wie dat zijn: geloof, nationaliteit, enz. zijn van geen tel: buren zijn buren. De voorschriften over hoe men met buren moet omgaan, zijn dan ook van toepassing op niet-islamitische buren.

    Zo moet een muslim wanneer hij het goed stelt, er voor zorgen dat zijn (gelovige of niet-gelovige) buren geen honger hebben. Doet hij dat niet, dan vervalt hij zelfs in ongeloof:

    “Hij die eet tot hij gevuld is terwijl zijn buur naast hem honger heeft, is geen gelovige” (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Bukhari)

    Een welstellende muslim moet met andere woorden van zijn rijkdom delen met zijn (eventueel niet-islamitische) buren. Doet hij dat niet, dan effent hij zijn eigen pad naar de hel.

    Muslims mogen niemand schade berokken, dus ook niet hun buren. Een muslim die bidt en vast, maar zijn (gelovige of niet-gelovige) buren zelfs maar beledigt, wordt eveneens de hel toegezegd:

    Een man vroeg! “O Booschapper van God! Er is een vrouw die bidt, aan liefdadigheid doet en vaak vast, maar ze kwetst haar buur met haar woorden (door hem te beledigen).” De Boodschapper van God zei: “Ze zal naar de Hel gaan”. De Man zei: “O Boodschapper van God! Er is een andere vrouw die bekend staat voor hoe weinig zij vast en bidt, maar ze geeft aan goede werken van de gedroogde yoghurt die ze maakt, en ze doet haar buren geen kwaad.”. Hij zei: “Zij zal naar het Paradijs gaan”. (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Musnad Ahmad, gemeld door Abu Hurayrah)

    Er wordt integendeel een beloning in het vooruitzicht gesteld voor een Muslim die geduldig een lastige buur verdraagt:

    “De Boodschapper van God zei: Er zijn er drie die God liefheeft… (een van hen is) hij die een buur heeft die hem stoort, maar die dat geduldig verdraagt tot ze gescheiden worden door de dood of tot een van hen verhuist” (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Musnad Ahmad, gemeld door Abu Darr)

    2.7. Afwijzen van racisme en hoogmoed

    Islam verfoeit racisme – muslims mogen zich op geen enkele grond méér wanen dan een ander. Neerkijken op anderen wordt geassocieerd met het pad van de Duivel, dat recht naar de hel leidt. [7] Ook geloof is geen grond om zich superieur te voelen. De Koran stelt dat alle mensen voor God gelijk zijn, behalve in vroomheid en goede daden maar daarover kan alleen God oordelen. In afwachting van dat Oordeel moeten de mensen elkaar allemaal als elkaars gelijke beschouwen.

    “O mensen! Waarlijk jullie Heer is Eén en jullie vader (Adam) is één. Een Arabier is niet beter dan een niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; een blanke is niet beter dan een zwarte en een zwarte is niet beter dan een blanke – behalve in termen van vroomheid en goede daden”. (Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld door Imaam Ahmad, 22391, al-Silsilat al-Saheeh 2700)

    Met racisme samenhangende verwaandheid wordt sterk afgekeurd:

    “Wend je wang niet hoogmoedig van de mensen af en loop niet verwaand op de aarde rond. God bemint geen enkele ingebeelde en verwaande.” (Koran 31:18)

    3. Muslims en de Ahl Al-Kitab (Mensen van het Boek)

    3.1. Algemene richtlijn: benadrukken van spirituele verwantschap

    Joden, christenen en muslims aanbidden volgens de Islam allemaal één en dezelfde God die naar alle streken Profeten uitstuurde. Deze Profeten verkondigden een aan hen geopenbaarde Boodschap. Van niet alle Profeten is evenwel het Boek bewaard – maar van de Profeten van de Joden, christenen en muslims wel. Daarom worden zij de Ahl Al-Kitab of Mensen van het Boek genoemd. Een van de geloofsartikelen van de Islam verplicht muslims er toe zonder onderscheid te geloven in alle door God gezonden Profeten en in alle aan hen geopenbaarde Boeken. De oorspronkelijke Bijbel is ook voor muslims een Heilig Boek. [8]

    “Zeg: “Wij geloven in God, in wat naar ons is neergezonden en in wat naar Abraham, Ishmaël, Isaak, Jacob en de stammen is neergezonden en in wat aan de profeten door hun Heer gegeven is. Wij maken geen verschil tussen één van hen en wij hebben ons aan Hem overgegeven.” (Koran 2:136)

    De Koran beklemtoont dat Jodendom, christendom en Islam dezelfde basisprincipes delen en schrijft muslims voor deze spirituele verwantschap in stand te houden:

    “Hij verordineert voor jullie van de godsdienst wat Hij aan Noë had opgedragen en wat Wij aan jou geopenbaard hebben en wat Wij aan Abraham, Moses en Jezus hadden opgedragen. Hou de godsdienst in stand en splits jullie niet op in groepen…” (Koran 42:13)

    Wanneer muslims een dialoog aangaan met de Mensen van het Boek (die, zoals eerder aangehaald, ook naar de hemel kunnen gaan), worden muslims aangespoord dit op ‘de beste manier’ te doen, dit wil zeggen: te vermijden de zaken zodanig aan te pakken dat ze bitterheid, wrevel of vijandigheid kunnen opwekken:

    “En twist niet met de Mensen van het Boek behalve op de beste manier …” (Koran 29:46)

    Muslims wordt ook voorgeschreven het delen van de gemeenschappelijke basis en gedeelde waarden te benadrukken, in plaats van zich toe te spitsen op de verschillen.

    (zeg…)”Wij geloven in wat naar ons is neergezonden en in wat naar jullie neergezonden is. Onze God en jullie God, is één. En wij geven ons over aan Hem.” (Koran 29:46)

    De Koran stelt verder:

    “…en je zult merken dat zij die zeggen “Wij zijn christenen” in genegenheid het dichtst staan bij (de muslims)”. (Koran 5:82)

    De Koran laat interreligieuze huwelijken toe met de vrouwen van de Godsdiensten van het Boek – daar is geen speciale dispensatie voor nodig. Zij worden immers beschouwd als mensen die dezelfde God aanbidden. Ook het voedsel van de Mensen van het Boek wordt toegestaan.

    “Heden zij aan jullie de goede dingen toegestaan. Het voedsel van hen aan wie het boek gegeven is, is aan jullie toegestaan en ook de eerbare vrouwen van hen aan wie voor jullie tijd het boek gegeven is…” (Koran 5:5)

    3.2. Bespreking van vers 5:51

    Hoe zit het dan met verzen die het tegendeel lijken te beweren, en die zowel door islamofoben als door de kleine groep extremisten in muslimlanden geciteerd worden om te proberen aantonen dat de Koran niet toestaat vriendschap te sluiten met Joden en christenen, iets waar de meerderheid van de muslims helemaal anders over denkt? Een in dit verband vaak aangehaald vers is v.51 van Surah 5:

    “O jullie die geloven! Neemt de Joden en de christenen niet als medestanders. Zij zijn onderling medestanders. Wie van jullie zich als medestander bij hen aansluit, die behoort bij hen. God wijst de mensen die onrecht plegen de goede richting niet.” (Koran 5:51)

    Fred Leemhuis vertaalt het woord ‘awiliya’ hier als ‘medestanders’ – andere vertalingen hebben het over ‘vrienden’. ‘Awiliya’ heeft verschillende betekenissen: vrienden, beschermers, voogden (zelfs wettelijke voogden), bondgenoten, medestanders. Wat is nu de juiste interpretatie? Zegt het daarop volgende vers er al iets meer over?

    “Jij ziet toch dat dat zij die in hun harten een ziekte hebben zich naar hen toe haasten; zij zeggen: “Wij vrezen dat een wending [van het lot] ons zal treffen.” Misschien dat God succes brengt of een beschikking van zijn kant. Dan zullen zij wroeging krijgen over wat zij in zichzelf geheim houden.” (Koran 5:52)

    Vers 52 levert een motief op: het verduidelijkt dat er een paar muslims zijn die uit opportunisme — ze vrezen een “wending van het lot” — een alliantie willen aangaan met de “Joden en christenen” van vers 51, waarin hen verboden wordt zo’n verbond te bezegelen. Welke wending van het lot vrezen die paar muslims? En wat staat er op het spel dat muslims die zo’n alliantie overwegen een “ziekte van het hart” (hypocrisie dus) aangewreven wordt?

    Een relaas van de gebeurtenissen rond de openbaring van dit vers, brengt opheldering. [9] Voorafgaand aan dit vers, waren Profeet Mohamed en zijn aanhangers weggetrokken van Mekka naar het 400 kilometer noordwaarts gelegen Medina. In Mekka werden ze immers vervolgd door hun stamgenoten omdat de machtige inwoners van Mekka, die verschillende afgoden vereerden, vreesden dat de aanhang van Mohamed zou toenemen. Het lucratief priesterambt voor de verering van de afgoden kwam in het gedrang, en de heersende klasse wiens macht gebaseerd was op rijkdom door het arm houden van grote groepen mensen, werd geconfronteerd met leerstellingen van Mohamed die de hoogmoed van de heersers aan de kaak stelde en die muslims ertoe aanzette rechtvaardig en eerlijk te handelen, en te zorgen voor de zwakkeren en armen in de samenleving. Daarom werden Mohamed en zijn volgelingen gepest, vernederd, met de dood bedreigd. De belangrijkste stammen van Medina hadden de boodschap die Mohamed op vreedzame wijze verkondigde, echter wèl aanvaard, en nodigden Mohamed en zijn gevolg uit naar hun stad te komen.

    Niettegenstaande Mohamed hooguit een paar honderd volgelingen had die intussen allemaal Mekka verlaten hadden, bleven de inwoners van Mekka hen lastig vallen – zelfs gewapenderhand. Militair hadden de Mekkanen het overwicht op de muslims – zij hadden ook veel bondgenoten doorheen het Arabische schiereiland en de kans zat er dan ook in dat de muslims deze aanvallen als gemeenschap niet zouden overleven. Uit opportunisme, wilden een aantal leden van de muslimgemeenschap op individuele basis bondgenootschappen aangaan met andere niet-islamitische stammen in de regio – meerbepaald met de Joden van Mekka en een aantal Christelijke groepen ten noorden van de stad. Op die manier wilden ze hun eigen vel veilig stellen voor het geval de Mekkanen uiteindelijk zouden triomferen. Deze muslims waren dus in hun hart niet begaan met de Islam en het overleven van de vroege muslimgemeenschap, maar met hun eigen voortbestaan.

    De jonge muslimgemeenschap bevond zich in een precaire situatie: ze werd militair bedreigd en aangevallen door een vijand die numeriek en militair het overwicht had, in die mate zelfs dat het voortbestaan van de islamitische gemeenschap zelf op het spel stond. En een aantal mensen uit eigen rangen bleek, om het zacht uit te drukken, niet erg begaan met het lot van de muslimgemeenschap.

    Op zo’n moment was het noodzakelijk de rangen binnen de muslimgemeenschap te sluiten, en te zorgen voor volledige eensgezindheid. De houding van sommige muslims, die om hun eigen overlevingskansen te verhogen, bereid waren op individuele basis bondgenootschappen te sluiten met een aantal lokale groepen die evenmin begaan waren met het overleven van de islamitische leer, zou de muslimgemeenschap veel verzwakken. Muslims die zulke allianties aangaan zouden niet meer geneigd zijn zich nog te verzetten tegen de militaire aanvallen van de Mekkanen vermits ze hun zaakjes al geregeld hadden in geval de Mekkanen zouden overwinnen. Zo’n houding zou de moraal van de muslimgemeenschap breken, haar slagvaardigheid verzwakken en de overlevingskansen van de Islam ernstig hypothekeren.

    De traditie wil dat in die omstandigheden, de verzen 5:51-52 geopenbaard werden. Het gaat hier om een zeer specifieke situatie uit de geschiedenis van de prille islamitische gemeenschap die in een existentiële crisissituatie terechtgekomen was. Wanneer het voortbestaan van de algehele Ummah (de wereldwijde gemeenschap van alle muslims) en de Islam zèlf op het spel staat, waarschuwt dit vers ervoor dat muslims die in die omstandigheden hun eigen vel proberen redden, ten koste van het voortbestaan van de Islam, eigenlijk slechts muslims in naam zijn, hypocrieten met een ‘ziekte van het hart’. Met wie zij daarvoor allianties willen aangaan – Joden, christenen of wie ook – maakt niet uit. Het is de manier van handelen die aan de kaak gesteld en verboden wordt.

    In het licht van eerdere algemene regels, gaat het hier duidelijk niet om een algeheel verbod op het omgaan met christenen of Joden. De verzen 5:51-52 spreken de algemene regel om vriendelijk, attent, respectvol om te gaan met Joden en christenen ook niet tegen. De Koran wijst er overigens op dat er onder de Joden en de christenen gelovigen zijn die naar de hemel zullen gaan, maar ook mensen die niet volgens hun geloof leven en dus in de hel zullen terechtkomen. Hetzelfde geldt overigens voor muslims: ook daar zitten gelovigen en ongelovigen tussen. [10]. Welke reden zou de Koran dan kunnen hebben om in het algemeen vriendschap te verbieden met mensen die ook naar de hemel zullen gaan?!

    “Onder de mensen van het boek zijn er die in God geloven, in wat naar jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich deemoedig aan God onderwerpen. Zij verkwanselen Gods tekenen niet. Zij zijn het voor wie hun loon bij hun Heer is. …” (Koran 3:199)

    4. Het statuut van de Ahl Ad-Dhimmah

    In de vroege islamitische geschriften worden niet-muslims die in een islamitische staat wonen dhimmi’s of Ahl Adh-Dhimmah genoemd, dit wil zeggen: ‘Beschermde Mensen’. Profeet Mohamed en de gemeenschap van de muslims sloten met hen immers een verbond waardoor hun veiligheid in een islamitische staat gegarandeerd werd. Daarom worden zij ook de Al-Mu’ahiddum genoemd, de ‘Houders van een Convenant’.

    Aanvankelijk gold het statuut van de Ahl Ad-Dhimmah enkel voor Joden en christenen; later werd het uitgebreid naar andere religieuze minderheden.

    Profeet Mohamed benadrukte de plichten van muslims tegenover dhimmi’s, en bedreigde iedereen die hen schade zou toebrengen met de toorn en de bestraffing door God in die mate dat zulke muslims zelfs alle hoop op een verblijf in het paradijs mochten vergeten. Mohamed beloofde dat hij op Oordeelsdag de persoonlijke vijand zou zijn van muslims die dhimmi’s krenken. Een paar ahadith (uitspraken van Profeet Mohamed) verduidelijken dit:

    “Diegene die een dhimmi kwaad toebrengt, en hij die mij kwaad toebrengt, ergert God” (gemeld door At-Tabarani in Al-Awsat)

    “Iemand die een dhimmi doodt, zal zelfs niet de geur van het Paradijs ruiken.” (eveneens gemeld door At-Tabarani in Al-Awsat)

    “Wie een dhimmi kwaad toebrengt, van hem ben ik de vijand, en ik zal zijn vijand zijn op de Oordeelsdag.” (gemeld door Al-Khatib)

    “Op de Dag van het Oordeel zal ik twist leveren met iedereen die een persoon van onder de Mensen van het Convenant onderdrukt, zijn rechten breekt, die hem verantwoordelijkheden geeft die zijn krachten teboven gaan, of die hem iets ontneemt tegen hun wil.” (Gemeld door Abu Dawood).

    Verschillende islamitische juristen benadrukten de rechten en onschendbaarheden die de Dhimmah op grond van de ahadith genieten:

    “Het convenant van bescherming legt aan ons zekere verplichtingen op tegenover Ahl Adh-Dimmah. Zij zijn onze buren, onder onze beschutting en bescherming met de garantie van God, Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, en de godsdienst van de Islam. Wie ook deze verplichtingen tegen één van hen schendt, door zijn reputatie te schaden, of door hem een lestel te berokkenen, heeft het Convenant van God en Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, verbroken, en zijn gedrag botst met de leerstellingen van de Islam”. (Al-Furooq, door Al-Qarafi)

    Ibn Hazm stelt dat wanneer een dhimmi in een islamitisch land bedreigd wordt door een vijand, muslims verplicht zijn deze vijand te bevechten. Zij mogen de dhimmi’s ook niet uitleveren:

    “Wanneer een dhimmi bedreigd wordt door een vijand, is het uw verplichting de vijand te bevechten met wapens en soldaten, zodoende het Convenant van God en Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, respecterend. Hem aan de vijand over dragen zou verraad van de garantie betekenen” (Maratib Alijma’, door Ibn Hazm.)

    In de praktijk moesten dhimmi’s Jizyah (een soort taks) betalen aan de staat, in ruil waarvoor zij van de staat bescherming genoten en in vrijheid hun geloof konden beleven. Imam Ali zei:

    “Waarlijk, door het geven van Jizyah, wordt hun welvaart zo waardevol als de onze en hun bloed zoals het onze.”

    De Jizyah was geen boete voor hun ‘ongeloof’, maar wel een bedrag dat betaald werd in ruil voor bescherming door de Staat tegen al wie hen zou kunnen onderdrukken of schade berokkenen (muslims en niet-muslims).

    In de vroege periodes stelden de dhimmi’s het zeer goed in de islamitische staat. Hun zaken floreerden en zij beschikten over een hoge mate van vrijheid terwijl ze tegelijk bescherming genoten van de staat en van de islamitische gemeenschap. Later werd het statuut soms verkeerd toegepast en misbruikt om dhimmi’s als minderwaardige burgers te beschouwen. Het statuut blijft ook vandaag voorwerp van uiteenlopende interpretaties waarbij sommige muslims dhimmi’s beschouwen als tweederangsburger, terwijl anderen argumenteren dat ze volwaardige burgers zijn, met dezelfde rechten en plichten als muslims. [11].

    5. Jihad?

    Zijn muslims dan niet verplicht een ‘Heilige Oorlog’ te voeren tegen alle ongelovigen, in het bijzonder tegen diegenen die zich in het ‘Huis van de Oorlog’ bevinden?

    Vooreerst, betekent Jihad niet ‘Heilige Oorlog’, maar streven om het beste te doen. Geloof is in de Islam niet voldoende, men moet het geloof ook uiten in daden. Alles wat het geloof in daden omzet, is eigenlijk jihad. Een boek schrijven over de Islam, boodschappen doen voor een bejaarde dame, zich inzetten voor een betere samenleving, sleutelen aan de eigen persoonlijkheid om rechtvaardig en geduldig te zijn, dit alles is Jihad. Wanneer een muslimstaat aangevallen wordt kan het onder zeer strikte omstandigheden en nadat alle andere middelen uitgeput zijn, toegestaan zijn zich gewapenderhand te verdedigen. Dit is dan ook Jihad. Jihad is dus zeker geen ‘heilige oorlog’ in de zin van een oorlog om het geloof met geweld te verspreiden. Het is muslims ten andere verboden aan zo een onderneming deel te nemen.

    Wat jihad precies inhoudt en aan welke regels dit onderworpen is, wordt uitvoerig gemotiveerd aan de hand van de Koran en de Sunnah in de tekst over “Jihad, geloof in woord en daad” [13].

    In samenhang met jihad wordt ook gezwaaid met termen als Dar al-Harb (Huis van de Oorlog) en Dar al-Islam (Huis van de vrede). Deze termen komen niet uit de Koran of de Sunnah – het gaat hier dus niet om een primair geloofspunt. Het zijn de geleerden van de Hanafi Fiqh school (één van de rechtsscholen van de Islam) die deze termen in het leven riepen. Zij deelden de wereld op een een Huis van de Vrede (gebieden onder islamitisch bewind) en een Huis van de Oorlog (alle andere landen) waarbij onder sommige omstandigheden gewapende Jihad tegen het Huis van de Oorlog werd toegestaan. Andere Fiqh scholen zijn het daar echter niet mee eens, en tal van hedendaagse geleerden vinden deze opdeling totaal achterhaald, onaanvaardbaar en ontoepasbaar op de huidige complexe wereld. Om zo een Jihad uit te roepen zou er overigens een overkoepelend gezag moeten zijn dat kan bepalen wat Huis van de Vrede en Huis van de Oorlog is, en dat de gewapende strijd officieel kan uitroepen. De Ummah (wereldwijde islamitische Gemeenschap) is echter geen kalifaat – er bestaat geen centraal overkoepelend gezag, er is met andere woorden geen soort Vaticaan voor de Islam. Er is dan ook niemand die deze gebieden zou kunnen definiëren, en bijgevolg kan ook niemand zulk een Jihad uitroepen. Ja, af en toe is er een handvol extremisten dat een eigen Jihad uitroept op grond van een verwrongen lezing van de Koran waarmee ze hun politieke agenda willen legitimeren. Het merendeel van de muslims zal deze Jihad als volslagen onwettig bestempelen. Als het Katholieke IRA een bommencampagne voerde, leidde toch ook geen mens daaruit af dat de Bijbel aanzet tot geweld en alle christenen gewelddadig zijn? Net zo min kan men de handelswijze van een een handvol extremisten in de muslimwereld veralgemenen tot “de Islam”.

    Sommige hedendaagse geleerden introduceren nieuwe ‘huizen’ om de complexere wereld te beschrijven, anderen geven nieuwe invullingen aan bestaande concepten. Zo stelt Dr Zafarul-Islam Khan [12] dat het essentiële historische verschil tussen het ‘Huis van de Oorlog’ en ‘Huis van de Vrede’ erin bestond dat in het ‘Huis van de Vrede’, de Shari’ah gold waardoor muslims er vrij en veilig hun geloof konden beleven, terwijl het ‘Huis van de Oorlog’ vaak wetteloze regio’s waren waar muslims onderworpen waren aan de grillen van locale despoten. Op grond van die logica, kan enerzijds een Dar al-Islam (Huis van de Vrede, Huis van de Islam) onderscheiden worden, als al deze gebieden waar muslims vrij en veilig hun geloof kunnen beleven – ongeacht door wie het land geleid wordt, muslim of niet-muslim. Westerse landen behoren in die optiek tot het Dar al-Islam, terwijl een aantal door muslims geleide landen daar niet noodzakelijk toe behoren. Daartegenover staat dan het ‘Dar al Kufr’, het Huis van Ongeloof, omschreven is als die gebieden waar geen godsdienstvrijheid geldt en waar muslims hun geloof niet vrij en veilig kunnen beleven (ook als het land geleid wordt door een muslim).

    Zelfs al zou men echter de oude Hanafi opvattingen aanhouden, zelfs al zou er binnen de Islam momenteel een overkoepelende autoriteit bestaan die kan bepalen wat Dar al-Harb is, en zelfs al zou die autoriteit een officiële jihad uitroepen, dan nog hebben muslims geen enkele toestemming om ongelovigen te doden omwille van hun ongeloof. Ook dit wordt geanalyseerd in eerdergenoemde tekst over “Jihad, geloof in woord en daad”.

    6. Moeten muslims ongelovigen dan niet doden? Bespreking van enkele verzen

    6.1. Verzen 8:11, 8:39 (2:193) en 8:60

    Een vers dat door nogal wat Islambashers geciteerd wordt is het volgende:

    “En strijd tegen hen tot er geen fitnah meer is en de gehele godsdienst God toebehoort.” (Koran:8:39)

    Dit vers ‘bewijst’ volgens islamofoben ‘zwart op wit’ dat de Koran muslims opdraagt iedereen met dwang de Islam op te leggen (of hen bij weigering om te brengen), en dit totdat heel de wereld muslim is. Is dat wat hier staat? Welneen, het gaat zelfs om het tegendeel.

    Wat was hier gebeurd? Surah 8 van de Koran met als titel Al-Anfaal (De Buit), werd geopenbaard na de strijd om Badr. Het was de eerste veldslag tussen muslims en de Kafirun (Ongelovigen) van Mekka die de muslims vervolgden omwille van hun geloof:

    “Dat is omdat zij God en zijn gezant tegenwerken” (Koran 8:13)

    De Islam is een model dat alle aspecten van het leven bestrijkt, en de Koran grijpt de strijd om Badr aan om een een aantal regels van oorlogsvoering en vredesonderhandelingen in te stellen opdat ook in zulke omstandigheden geen plaats zou zijn voor willekeur en wetteloosheid.

    De Quraish, de machtigste familie van Mekka, had een prijs op het hoofd van Mohamed gezet. Dit was een van de redenen waarom Mohamed en zijn gezelschap de stad ontvlucht waren. De muslimgemeenschap bestond toen nog maar uit een paar honderd man, en het overleven van de godsdienst hing dus af van een kleine groep mensen die op het punt stond aangevallen te worden door een overmachtige vijand. Vers 8:38 draagt de muslims op alvorens naar de wapens te grijpen om zich te verdedigen, eerst nog een ultieme poging te ondernemen om vrede te onderhandelen. Gewapend verzet is altijd de allerlaatste optie in de Islam. Met moet altijd eerst alle andere opties uitputten:

    “Spreekt tot hen die ongelovig zijn. Als zij ophouden, dan zal hun wat zij eerder deden vergeven worden …” (Koran 8:38)

    Met ‘ongelovigen’ wordt hier de Quraish-stam bedoeld, mensen die de muslims aanvallen omwille van hun geloof. Godsdienstvervolgers dus. De Quraish hadden een numeriek overwicht op de muslims van 2 tegen 1, en om wat indruk te maken bij de onderhandelingen en er slagvaardiger uit te zien dan ze in werkelijkheid zijn, raadt de Koran de muslims aan al hun middelen te etaleren:

    “En maak tegen hen zo goed als jullie kunnen de bewapening en de inzetbare paarden gereed om Gods vijand en jullie vijand daarmee vrees aan te jagen…” (Koran 8:60)

    Het gaat hier uiteraard niet om een algemene regel om alle niet-muslims vrees aan te jagen maar wel om de voorbereiding voor een onderhandeling vanuit een nadelige positie met een vijand die de muslimgemeenschap vervolgt omwille van haar geloof.

    De onderhandelingen leveren echter niets op, en de muslims maken zich op voor de strijd tegen een vijand die van plan is hen allemaal uit te roeien. De situatie ziet er niet bepaald goed uit voor de muslims. Zij roepen dan ook Gods hulp in, die volgens de Koran Engelen naar hen toestuurde om de rangen van de muslims te versterken tegen de numerieke overmacht van de Quraish. [14]

    “Toen jullie je Heer om hulp vroegen en Hij jullie verhoorde: “Ik versterk jullie met duizenden engelen die achter elkaar aan komen.” (Koran 8:9)

    De Engelen (niet de muslims) krijgen van God de opdracht op het slagveld de Quraish, die van plan waren alle muslims te doden omwille van hun geloof, om te brengen of te verwonden:

    “Toen jouw Heer aan de engelen openbaarde: “Ik ben met jullie, sterkt dus hen die geloven. Ik zal de harten van de ongelovigen schrik aanjagen. Houwt dan in op de nekken en houwt hen op al hun vingers”. (Koran 8:12)

    Van de muslims wordt verwacht:

    “En strijd tegen hen tot er geen fitnah meer is en de gehele godsdienst God toebehoort.” (Koran:8:39)

    De betekenis van het Arabisch woord fitnah is: test, bedreiging, burgeroorlog, tumult, enz. In Koranische zin is het een bedreiging voor (het voortbestaan van) het geloof. In authentieke geschriften wordt uitgelegd wat in dit vers bedoeld wordt met “strijd tot er geen fitnah meer is”:

    Muhammad bin Ishaq zei dat hij door Az-Zuhri, `Urwah bin Az-Zubayr en andere geleerden geïnformeerd was dat “tot er geen Fitnah meer is”, betekent: tot geen Muslim nog vervolgd wordt zodat hij zijn godsdienst opgeeft.

    In dit vers wordt met andere woorden gesteld dat muslims moeten strijden voor het verwerven van godsdienstvrijheid! En is dat nu niet precies het tegendeel van wat de islamofoben er proberen van maken?

    Over het gedeelte “en [tot] de gehele godsdienst God toebehoort”, waar islamofoben van maken dat muslims hier opgedragen wordt te “vechten” tot heel de wereld islamitisch is, stellen de overleveringen:

    Ad-Dahhak meldde dat Ibn `Abbas over God’s woorden (en de gehele godsdienst God toebehoort) zei: “Zodat Tawhid beoefend wordt in oprechtheid met God. ”

    Al-Hasan, Qatadah en Ibn Jurayj zeiden (zodat de gehele godsdienst alleen voor God zal zijn) “zodat La ilaha illa-llah verkondigd wordt”.

    Muhammad bin Ishaq gaf ook commentaar bij dit vers, “Zodat Tawhid beoefend wordt in oprechtheid met God, zonder Shirk, onderwijl alle rivalen schuwend (die) naast God (aanbeden worden)”.

    `Abdur-Rahman bin Zayd bin Aslam zei over (en dat de gehele godsdienst God toebehoort) “Zodat er geen Kufr (ongeloof) meer in uw godsdienst overblijft”.

    Wat staat hier met andere woorden? Dat muslims moeten strijden tot de hele wereld muslim is? Natuurlijk niet. Het gaat hier niet om wat er met de wereld gebeurt, wel om wat er gebeurt tussen de (prille) muslimgemeenschap en diegenen die hen vervolgen. En wat muslims hier opgedragen wordt, is dat ze moeten strijden voor hun godsdienstvrijheid, voor een situatie waarin ze zelf hun Islam kunnen beleven, en wel zodanig dat ze niet verplicht worden gebruiken aan te houden die tegen de Islam ingaan. In de vroege jaren had Mohamed maar een paar honderd volgelingen. In die periode, moest zo snel mogelijk de grondslag van de hele Islam gelegd worden – daar had men geen paar honderd jaar tijd voor, hooguit een jaar of 20, tot de Profeet zou overlijden. Daarom was het belangrijk in de strijd tegen de Quraish die het voortbestaan van de Islam voortdurend bedreigde, uiteindelijk te gaan tot op het punt dat er een akkoord over volledige godsdienstvrijheid zou komen die het de muslims mogelijk zou maken hun Islam ten volle te definiëren en te beleven – tot hun eigen geloof helemaal God toebehoort. Stel dat de Quraish zouden voorstellen de strijd te staken op voorwaarde dat de muslims één van hun afgoden zouden aanbidden, zo’n situatie wordt door dit vers onaanvaardbaar gemaakt. Muslims wordt hier dus voorgeschreven een situatie na te streven waarin ze hun geloof vrij van Shirk en Kufr konden beleven. Het gaat om het nastreven van een situatie waarin ze hun eigen geloofsbeleving kunnen ontdoen van alle vormen van Shirk en Kufr, om een uitzuiveren van de eigen Islam. Dat heeft helemaal niets te maken met het doden van alle ongelovigen omwille van hun ongeloof – het heeft niets te maken met de ongelovigen tout court. Het gaat om hoe de muslims hun geloof beleven.

    Tegelijk draagt de Koran als regel van de krijgswet op dat zodra de vijand vrede voorstelt, men daarin meegaan. Zolang het muslims niet verplicht tegen hun geloof in te gaan (vers 8:39), is het in orde.

    “En als zij geneigd zijn tot vrede, wees daar dan ook toe geneigd en stel je vertrouwen op God.” (Koran 8:61)

    De regel die in 8:39 gevestigd wordt komt nog eens voor in de Koran, met name in 2:193

    “Strijd tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst alleen God toebehoort.” (Koran 2:193)

    Het tweede deel van dit vers luidt:

    “Als zij ophouden, dan geen vergelding meer, behalve tegen de onrechtplegers”. (Koran 2:193)

    Opnieuw komt de instructie tot rechtvaardigheid onmiddellijk boven drijven: van zodra de vijand ophoudt met aanvallen en de godsdienstvrijheid bereikt is: geen vergelding meer. Behalve voor de onrechtplegers, want wie onrechtmatige zaken deed in oorlogstijd moet zich daarvoor verantwoorden. Een oorlogssituatie is geen vrijgeleide voor wetteloosheid.

    Er wordt in al deze verzen duidelijk nergens gesteld dat men moet vechten tot alle vijanden vermoord zijn, en al evenmin tot iedereen onder dwang zou moeten aansluiten bij de Islam. Integendeel, dergelijke praktijken worden uitdrukkelijk verboden. Wat muslims wel opgedragen wordt, is te strijden voor godsdienstvrijheid – ook voor het beleven van hun eigen godsdienst – maar er wordt steeds bij gezegd dat ze daarin rechtvaardig te werk moeten gaan, en niet mogen overdrijven.

    “En bestrijdt op Gods weg hen die jullie bestrijden, maar overtreedt de grenzen niet, God bemint de overtreders [van de grenzen] niet.”(Koran 2:190).

    Merk op hoe het ook hier weer om defensie gaat (“bestrijdt … hen die jullie bestrijden”). Een offensief is niet toegestaan.

    6.2. Vers 47:7

    Nog zo’n vers waar islamofoben mee uitpakken is het volgende:

    “En wanneer jullie hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, sla hen dan dood, maar wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten, hetzij om hen los te laten kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. …” (Koran 47:4)

    Islamofoben maken hiervan dat de Koran muslims de opdracht geeft alle ongelovigen die men tegenkomt te vermoorden. Maar is dat wat hier staat? Raadplegen van de Sunnah van Mohamed leert dat het vers geopenbaard werd naar aanleiding van de al eerder ter sprake gekomen strijd om Badr, een slag die in de Koran aangegrepen wordt om regels van de krijgswet te verduidelijken. De regel die in dit vers gevestigd wordt is dan ook enkel van toepassing op een vijand op het slagveld van een oorlog (“in de strijd”). Het gaat niet om wat er moet gebeuren wanneer men in het dagelijks leven ergens een ongelovige tegenkomt, maar wel over hoe men zich tijdens een oorlog in het heetst van de strijd tegenover een vijand moet gedragen, een vijand die bij de slag om Badr toevallig uit ongelovigen bestaat maar dat is bijkomstig.

    De hoofdregel in de Islam is dat alle leven heilig is. De Koran stelt dat wie iemand doodt, “het is alsof hij de hele mensheid heeft gedood” (Koran 5:32). Als hierop geen uitzondering zou gemaakt worden, zou een muslim zich op het slagveld moeten laten doden zonder enig verweer. Daarom werd vers 47:4 geopenbaard, als uitzondering op de algemene regel die doden verbiedt: in een oorlogssituatie kan het doden van de vijand onder bepaalde omstandigheden toegestaan zijn. Het vers verduidelijkt dat dit onder meer het geval is wanneer het om logistieke of militaire redenen niet mogelijk is de vijand gevangen te nemen. Het doden van een vijand in oorlogstijd, is op zich evenwel geen algemene oorlogsregel, want hetzelfde Koranisch vers bepaalt dat zodra het mogelijk is, de vijand gevangen genomen moet worden en niet gedood mag worden.

    De krijgswet wordt in de Koran in alle details uiteen gezet. In de eerdere bespreking van andere verzen kwam bijvoorbeeld de bepaling naar voor die muslims verplicht mee te gaan in een vredesvoorstel van de vijand. In het Westen is de krijgswet niet van toepassing op het burgerlijk leven en omgekeerd. Dat is in de Islam niet anders. De verzen die op oorlogsvoering slaan, zijn niet van toepassing op hoe burgers met elkaar horen om te gaan. Dit vers zegt dan ook niets over hoe muslims in hun dagelijks leven horen om te gaan met niet-muslims.

    Epiloog

    Islamofoben houden bij hoog en bij laag staande dat de Koran muslims opdracht geeft ongelovigen met dwang tot de Islam te bekeren, en als dat niet lukt hen te vermoorden. Uit de bespreking van de Koran en de Sunnah is duidelijk geworden dat van die voorstelling van de zaken geen spaander overeind blijft. Muslims wordt integendeel voorgeschreven attent, respectvol, rechtvaardig, verdraagzaam en geduldig om te gaan met niet-muslims. Het niet naleven van die voorschriften leidt een muslim zelfs naar de hel.

    Een aantal Koranische verzen die op het eerste gezicht iets anders willen zeggen, blijken na grondige analyse een betekenis te hebben die deze algemene omgangsregels niet tegenspreekt, maar juist bevestigt. Islamofoben citeren zulke verzen nochtans met niet aflatende ijver om mensen te proberen overtuigen van ‘het ware gelaat’ van de Koran. Daarmee tonen ze natuurlijk in de eerste plaats hun eigen ware gelaat, en leggen ze hun eigen discours van het prediken van haat bloot. Om angst, haat en verdeeldheid te zaaien, zijn blijkbaar alle middelen goed, ook een verkeerde voorstelling van een Boek dat voor een miljard mensen een Heilige, van God gezonden leidraad is voor een vreedzaam leven in harmonie met andersdenkenden.

    Anderzijds zijn er ook de extremisten in de muslimwereld die zich van een verkeerde voorstelling van zulke verzen bedienen om hun politieke agenda van onverdraagzaamheid een religieuze legitimiteit te proberen geven. Ook zij vallen met een gedegen analyse van de Koran en de Sunnah door de mand.

  32. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 2:20 pm uur.

    1. Een Wereldbroederschap van alle mensen

    De mensheid als één enkele natie van broeders en zusters

    De Koran stelt dat de mensheid voortkomt uit één echtpaar, Adam en Eva:
    “O mensen, vreest jullie Heer die jullie uit één wezen geschapen heeft, die uit hem zijn echtgenote schiep en die uit hen beiden vele mannen en vrouwen heeft voortgebracht en [over de aarde] heeft verspreid…” (Koran 4:1)

    De hele mensheid vormt samen één natie:

    “De mensen waren oorspronkelijk één gemeenschap…” (Koran 2:213)

    De betekenis hiervan is dat alle mensen gelijk zijn en dat iedereen de broeder en zuster is van elke ander: alle mensen hebben immers dezelfde voorouders. Hiermee wordt in essentie de basis gelegd voor een echte wereldbroederschap van mensen. Devote Muslims spreken elkaar overigens aan met “zuster” en “broeder” – hiermee bevestigen zij niet enkel een geloofsverwantschap maar ook en vooral een volledige gelijkheid voor God: geen mens kan zich superieur achten aan een ander. Profeet Mohamed zei:

    “O Heer! Heer van mijn leven en van alles in het universum! Ik bevestig dat alle mensen broeders zijn van elkaar.”

    Het gaat hier dus niet om een broederschap van Muslims, maar veel ruimer, over een wereldbroederschap van alle mensen die voor God allemaal elkaars gelijken zijn, ongeacht hun huidskleur, geloof, bezit, taal e.d.m.

    Diversiteit tussen mensen is teken van Gods Almacht

    Oorspronkelijk was de mensheid één gemeenschap. Die werd gaandeweg gediversifieerd. Al zijn alle mensen gelijk voor God, de Koran erkent uitdrukkelijk dat er verschillen bestaan tussen mensen: ze spreken andere talen, behoren tot andere volkeren enz. Maar opdat niemand deze verschillen als grond zou kunnen gebruiken om zichzelf meer waard te achten dan een ander, stelt de Koran dat die verschillen zo door God gewild zijn, en dat het tekenen zijn van Zijn Almacht:

    “En tot Zijn tekenen behoren de schepping van de hemelen, en de aarde en het verschil in jullie talen en kleuren. Daarin zijn tekenen voor de wereldbewoners.” (Koran 30:22)

    Volgens de Koran zijn er ook in het geloof verschillende wegen naar God mogelijk: er zijn verschillende godsdiensten, en in elke godsdienst (met inbegrip van de Islam) zijn er gelovigen die naar de hemel zullen gaan, en ongelovigen die naar de hel zullen gaan. 1 Het is God zelf die de diversiteit, ook in de godsdiensten, heeft ingesteld:

    “Als jouw Heer het had gewild, had Hij de mensen tot één gemeenschap gemaakt, maar zij bleven het oneens…” (Koran 11:118).

    En enkel God kan over deze verschillen oordelen:

    “… en Ik zal oordelen over dat waarover jullie het oneens waren.” (Koran 3:55).

    De diversiteit impliceert dus tegelijk een aanvaarden van religieuze vrijheid.

    “In de godsdienst (van de Islam) is er geen dwang.” (Koran 2:256)

    Dwang is in de godsdienst van de Islam verboden. 2. ‘t Is trouwens voor niets nodig vermits volgens de Koran eenieder die in God gelooft en deugdelijk handelt naar de hemel kan gaan, of dat nu een Jood, een Christene of een Muslim is:

    “Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn.” (Koran 2:62)

    Reden van de diversiteit: elkaar leren kennen

    De Koran geeft de reden aan voor deze door God ingestelde diversiteit:
    “O mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen… (Koran 49: 13).

    Hiermee wordt aangegeven dat God de diversiteit geschapen heeft opdat mensen elkaar zouden leren kennen, niet om elkaar te bestrijden of te pogen elkaar te overheersen. Dit vers houdt de opdracht in, het anders-zijn van anderen te aanvaarden, en met hen een dialoog aan te gaan, op voet van gelijkheid.

    Individueel gedrag (en niet ras, afkomst, enz) als basis voor succes (hier en later)

    Het voorgaande vers, dat mensen ertoe aanzet de door God ingestelde diversiteit aan te wenden om elkaar te leren kennen, heeft nog een tweede deel:

    “… De voortreffelijkste van jullie is bij God de godvrezendste. God is wetend en welingelicht.” (Koran 49: 13).

    De Koran vestigt hiermee meteen ook het individuele gedrag als bron voor een geslaagd leven – en niet het behoren tot een of andere groep, natie enz. Wie godvruchtig is en volgens de goddelijke geboden leeft gaat naar de hemel, anderen gaan naar de hel. Het maakt daarbij niet uit tot welke ras of volk men behoort, of men rijk of arm is, man of vrouw, blank of zwart, het maakt zelfs niet uit tot welk geloof men behoort, vermits eenieder die in God gelooft en deugdelijk handelt naar de hemel kan gaan. ‘Taqwa’ (rechtvaardigheid, godsbewustzijn) is volgens de Koran waar het allemaal om draait, en daar zal God alle mensen op beoordelen. Een Muslim wordt bijgevolg aangemoedigd om zich in alle aspecten van zijn leven, op elk moment, bewust te zijn van God, zodat zijn handelen in alles gestuurd zou worden door Gods Geboden. Maar enkel God kan over deze piëteit oordelen. De ‘muttaqûn’ – dat zijn mensen met meest ‘taqwa’ – vormen dus geen klasse apart in de samenleving. In afwachting van de Oordeelsdag, moeten mensen elkaar allemaal als gelijkwaardig beschouwen en het oordeel over de ‘taqwa’ van de mensen overlaten aan God. Gelijk welke prestatie, gelijk welk bezit, scholingsgraad, jobtitel, huidskleur, nationaliteit, of wat dan ook, volgens de Koran kan niets daarvan een mens meer waard maken dan een ander.

    2. Ontraden en verbieden van elitisme en racisme

    Mohamed veroordeelde raciale trots

    Voor de komst van de Profeet Mohamed, hadden nogal wat Arabieren de neiging neer te kijken op anderen, voornamelijk op Afrikanen. Racisme en bewustzijn van de eigen huidskleur waren prominent aanwezig. De Profeet keurde dit herhaaldelijk krachtig af.
    De Profeet zei: “je moet naar je leider luisteren en hem gehoorzamen, zelfs al is hij een Ethiopische slaaf wiens hoofd de kleur van een rozijn heeft.” (Bukhari)

    Voor de elitair ingestelde Arabieren waren zulke uitspraken shockerend. Zij waren gewend een leider aan te stellen uit de meest vooraanstaande families, maar Mohamed viel hun elitisme herhaaldelijk aan. Hij schreef hen voor op te houden met op te scheppen over hun afkomst.

    De Profeet zei: “laat de mensen ophouden met op te scheppen over hun afkomst. Men is slechts een devote gelovige of een miserabele zondaar. Alle mensen zijn zonen van Adam, en Adam kwam van stof.” (Abu Dawud, Tirmidhi)

    Hij omschreef hun elitaire houding ook als een een teken van hun ‘onwetendheid’:

    Er wordt gemeld dat op een keer een gezel van de Profeet een andere gezel, Bilal genaamd, op een negatieve toon “zoon van een zwarte vrouw!” noemde. Toen de Profeet dit hoorde werd hij kwaad en antwoordde hij: “Veroordeel jij deze man omwille van de zwartheid van zijn moeder? Jij bent met zekerheid een onwetende (al-jahiliyyah).”

    De term ‘al-jahiliyyah’ slaat hier op onwetendheid inzake geloof, en wordt ook gebruikt om iemand die nog volgens de heidense patronen denkt te omschrijven. Opscheppen over je afkomst werd dus gedefinieerd als iets ongelovigs, iets dat in strijd is met de Islam.

    Neerkijken op mensen leidt naar de hel

    Het vroegst gerapporteerde geval van arrogantie, is dat van Iblis (Satan). De Koran vertelt hoe nadat Adam (geschapen uit klei) de naam van alle dingen geleerd had, God alle Engelen (geschapen uit licht) en alle Jins (geschapen uit rookloos vuur) samenriep om getuige te zijn van Zijn ondervraging van Adam. Toen die overal een juist antwoord op gaf, beval God alle aanwezigen voor Adam te buigen als teken van respect. Eén Jin, Iblis genaamd, weigerde. Op hooghartige toon antwoordde hij dat God toch niet van hem kon verwachten dat hij, die uit rookloos vuur geschapen was, zou buigen voor een wezen dat uit een hoopje vuil (klei) gemaakt was.

    “Hij zei: “Ik ben beter dan hij, U hebt mij uit vuur geschapen en hem hebt U uit klei geschapen.” (Koran 7:12)

    Als straf voor deze hooghartige impertinentie, werd Iblis naar de hel verbannen. Maar Iblis vroeg God om uitstel van zijn straf tot op Oordeelsdag, met de belofte dat hij er tegen dan zou in slagen de meeste mensen te doen afdwalen van het pad van God om zijn pad van arrogantie te volgen. God stond Iblis dit verzoek toe.

    Dit verhaal is meteen de grootste waarschuwing tegen arrogantie: ze wordt geassocieerd met de Duivel. Het pad van de zelfingenomen verwaandheid, van het neerbuigend doen tegenover anderen, wordt aanzien als het pad van Iblis dat recht naar de hel leidt. Wie in de hemel wil geraken, mag dus niet verwaand zijn en mag geen racist of elitist zijn:

    De Profeet zei: wie trots in zijn hart heeft gelijk aan het gewicht van een kleine atoom, zal nooit het Paradijs binnengaan. Iemand vroeg hoe het dan zit met een man die graag mooie kleren en fijne schoenen draagt, en de Profeet antwoordde: God is mooi en houdt van schoonheid. Dan legde hij uit dat trots betekent: het verwerpen van de waarheid omwille van eigendunk of het neerkijken op andere mensen. (Muslim).

    Epiloog

    Het wereldbeeld van een muslim is er een waarin God centraal staat. Alles wordt vanuit dit perspectief bekeken. Wanneer men de vraag stelt wie meer waard is dan een ander, dan wordt in werkelijkheid gevraagd: wie is voor God meer waard dan een andere. Het antwoord is duidelijk: voor God zijn alle mensen gelijk, ongeacht taal, geloof, etniciteit, enz. Het enige wat voor God telt, is vroomheid en het verrichten van goede daden, en daarover kan enkel God zelf oordelen. De Koran legt dan ook een stevige basis voor een wereldbroederschap van alle mensen, op voet van gelijkheid, ongeacht geloof, nationaliteit, taal, ras, rijkdom of wat dan ook. De Koran verklaart deze diversiteit van mensen immers als zo gewild door God: God heeft de mensen verschillend gemaakt, niet opdat ze elkaar zouden bestrijden, maar opdat ze elkaar zouden leren kennen. Dit is een opdracht tot aanvaarding, toenadering en dialoog op basis van gelijkheid. In de Islam is racisme dan ook ontoelaatbaar. Het wordt omschreven als onwetendheid, in de zin van ongeloof, en als pad dat recht naar de hel leidt.

  33. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 2:23 pm uur.

    “Volgens de Islam zijn mannen superieur aan vrouwen”. De opmerking is de laatste tijd niet meer uit de lucht. Of omgekeerd: “vrouwen zijn minderwaardig volgens de Islam”. Het kan niet miskend worden dat – net als op sommige andere plaatsen – in sommige muslimgemeenschappen vrouwen gediscrimineerd worden. Maar is dat typisch voor de Islam? Of heeft het niets met het Islamitisch model an sich te maken, en is de dagdagelijkse praktijk eerder het gevolg van tradities, culturele gebruiken en vastgeroeste gedragspatronen?
    Enkel een analyse van de Koran en de Sunnah kan een duidelijk beeld opleveren van de plaats van de vrouw volgens de Islam. Hieruit zal blijken dat inzake mannen en vrouwen de hele Koranische Boodschap gebouwd is rond een sterk centraal gelijkheidsbeginsel. Er hoeft niet noodzakelijk een tegenstelling te bestaan tussen vrouwenrechten en Islam.

    1. Interpretatie van de Koran

    In het Islamitisch discours, wordt de (oorspronkelijke, Arabische) Koran aanzien als letterlijk, werkelijk, het “Woord van God”, zoals het door de Aartsengel Gabriël overgebracht werd aan de Profeet Mohamed. Elk vers uit de Koran is een mirakel op zich. Al is het de bedoeling zoveel mogelijk over God te leren om te achterhalen hoe men God best kan dienen, toch kan men God nooit helemaal kennen. Immers, God is uniek:

    “Zeg: “Hij is God, als enige. God de bestendige. Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt en niet één is aan Hem gelijkwaardig.”" (Koran 112:1-4)

    Deze uniciteit van God houdt al meteen een waarschuwing in: in het Islamitisch discours kan geen mens beweren het Woord van God volledig te begrijpen. Wie dit wel zou doen, zou zich op gelijke hoogte plaatsen met God, wat in de Islam zowat de zwaarste zonde is vermits dit het eerste en meest essentiële geloofspunt – dat er geen god is dan God – verbreekt.

    Men kan dus hoogstens zeggen dat men het Woord van God zoekt te begrijpen. Daarbij zullen verschillende mensen tot verschillende interpretaties komen. De uniciteit van God, houdt met andere woorden tegelijk een pluriformiteit van de interpretaties ervan in.

    Wat volgt, is dan ook niet “de” interpretatie van de Koran – die bestaat niet. In vergelijking met het Woord van God, is elke lezing, ook diegene die hierna volgt, slechts een poging tot begrijpen.

    2. Beoordelingscriterium voor (on)gelijkheid.

    Wanneer men het over (on)gelijkheid van mannen en vrouwen wil hebben, moet men eerst bepalen op welk criterium men mannen en vrouwen wil vergelijken. In de Islam, ligt het ultieme oordeel bij God. Hij is het immers die op Oordeelsdag over alle mensen zal oordelen.

    Als er in de Islam een fundamentele ongelijkheid bestaat tussen mannen en vrouwen, moet zich dat vertalen in een bevoordelen van mannen op Oordeelsdag. Daar is echter geen sprake van. De voorwaarden om tot het Paradijs toegelaten te worden, zijn precies dezelfde voor mannen als voor vrouwen. Dit principe wordt gevestigd in verzen als:

    “De mannen en vrouwen die zich (aan God) hebben overgegeven, de gelovige mannen en vrouwen, de onderdanige mannen en vrouwen, de geduldig en volhardende mannen en vrouwen, de deemoedige mannen en vrouwen, de mannen en vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en vrouwen die vasten, de mannen en vrouwen die hun schaamstreek kuis bewaren, de mannen en vrouwen die God veel gedenken, voor hen heeft God vergeving en een geweldig loon klaargemaakt.” (Koran 33:35)

    Op dit toch wel essentieel punt, laat de Koran geen enkele ruimte voor interpretatie in het voordeel van de een of de ander: er wordt expliciet vermeld dat “mannen en vrouwen” op exact dezelfde gevolgen kunnen rekenen voor hun daden.

    “Maar wie – hetzij man of vrouw – deugdelijke daden doet als gelovige, zij zullen de tuin binnengaan en jullie wordt nog niet zoveel als de holte in een dadelpit onrecht aangedaan.” (Koran 4:124)
    “Toen verhoorde hun Heer hen: “Ik laat het werk van iemand van jullie die (goed) doet niet verloren gaan, of het nu een man is of een vrouw, jullie horen bij elkaar. …”" (Koran 3:195)

    Hieruit blijkt dat God geen enkel onderscheid maakt tussen de manier waarop hij mannen en vrouwen beoordeelt. Gelijker is niet mogelijk. En vermits God, de Hoogste Instantie in de Islam, mannen en vrouwen als gelijken behandelt, met welk recht zouden mannen de vrouwen dan als inferieur kunnen beschouwen?

    Het is ook belangrijk er de aandacht op te vestigen dat het Arabisch woord voor God (Allah) noch mannelijk, noch vrouwelijk is. De Koran werd in het Arabisch geopenbaard, en bijgevolg is er ook taalkundig in het Islamitisch Godsconcept geen enkel geïmpliceerd voordeel ten gunste van mannen of vrouwen.

    3. Aard van de mens

    Op spiritueel vlak hebben mannen en vrouwen volgens de Koran dezelfde aard. De een is niet ondergeschikt aan de ander, ze zijn beiden uit dezelfde eenheid ontstaan.

    “O mensen, vreest jullie Heer die jullie uit één wezen geschapen heeft, die uit hem zijn echtgenote schiep en die uit hen beiden vele mannen en vrouwen heeft voortgebracht en [over de aarde] verspreid. … “. (Koran 4:1)

    De essentiële verbondenheid van mannen en vrouwen wordt uitgedrukt in volgend vers:

    “… zij zijn bekleding voor jullie en jullie zijn bekleding voor haar”. (Koran 2:187)

    In het Islamitische Scheppingsverhaal wordt Eva, en bij uitbreiding elke vrouw, niet beladen met de schuld voor de zondeval van Adam (de man). Nergens in heel de Koran wordt zelfs maar gesuggereerd dat Eva als eerste van de verboden vrucht zou gegeten hebben en daarna Adam in haar zonde zou meegesleurd hebben. In het Koranisch model hebben zowel Adam als Eva zich laten verleiden door Satan. In het Islamitisch discours is de vrouw dus niet belast met de rol van verleidster tot zonde (Koran 7:19-27). 1 Het is integendeel zo dat de Koran mannen en vrouwen definieert als elkaars medestanders. Ze helpen elkaar het rechte pad te bewandelen:

    “Maar de gelovige mannen en vrouwen zijn elkaars medestanders, zij gebieden het behoorlijke, verbieden het verwerpelijke” (Koran 9:71).

    4. Kennis van de beoordelingsregels

    4.1. Belang van kennis van Gods Geboden.

    Volgens de Koran betoonden Adam en Eva oprecht berouw voor hun misstap, waarop de Genadevolle God hen vergiffenis schonk (er is in de Islam geen Erfzonde – elk kind wordt puur, zonder zonde geboren). God gaf de mens een nieuwe kans: wanneer ze zich op aarde wel aan de Goddelijke Bepalingen houden, kunnen ze na hun dood terugkeren naar het Paradijs. Dat is nu precies de zin van het leven: het is een test om te zien wie naar het Paradijs kan terugkeren en wie een eeuwigheid in de Hel zal doorbrengen. Het oordeel daarover ligt uitsluitend bij God, en is gebaseerd op de manier waarop de mens zich hier gedraagt en of dat gedrag al dan niet in overeenstemming is met de Goddelijke Bepalingen. De Koran zet daarbij de deuren van de Hemel open voor iedereen die gelooft in en handelt volgens de Bepalingen van God zoals ze door de respectievelijke Profeten werden verkondigd, ongeacht de naam van het geloof waartoe men behoort:

    “Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn.” (Koran 2:62)

    Vermits God zal oordelen op grond van het gedrag van de mensen (en de intenties ervoor) is het nodig kennis te vergaren over hoe God wil dat de mens zich gedraagt.

    4.2. Kennisoverdracht

    In de Islam werd het Woord van God niet exclusief via mannen aan de mensheid doorgegeven. Zo argumenteerde Imam ibn Hazm, 2 een vooraanstaand muslimgeleerde die met zijn standpunt niet alleen staat, op grond van de Koran en de Sunnah dat Islam ook een aantal vrouwelijke Profeten heeft gekend.

    Vrouwen worden ook unaniem aanvaard als aanbrengers van ahadith (uitspraken van de Profeet Mohamed). De ahadith vormen samen met de Koran de basis van het Islamitisch stelsel. Getuigenissen van vrouwen over wat de Profeet zei, staan op gelijke voet met wat mannen rapporteerden over uitspraken en gedragingen van de Profeet. 3

    4.3. Kennisgaring

    Dat God geen onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen, zou kunnen omzeild worden door hen niet dezelfde toegang tot kennis te verlenen over hoe de mens zich moet gedragen om in Gods gratie te komen. Er moet dus onderzocht worden of mannen en vrouwen vanuit het model gelijke toegang krijgen tot kennisgaring.

    Het allereerste vers dat aan de Profeet Mohamed geopenbaard werd, luidde:

    “Lees voor in de naam van jouw Heer die heeft geschapen” (Koran 96:1)

    Dit vers is een permanente opdracht, een leerplicht zelfs, om gedurende het hele leven kennis te verwerven over God en Gods Schepping. Er wordt nergens gesteld dat het leren alleen voor mannen geldt. Omgekeerd worden vrouwen nergens van dit leergebeuren uitgesloten. Het betreft een opdracht van God, rechtstreeks en gelijkelijk aan mannen én vrouwen. 4

    5. De gedragsregels van het Islamitisch model

    5.1. Algemene regel inzake mannen en vrouwen

    In overeenstemming met het gegeven dat er voor God geen enkel verschil is in de manier waarop Hij mannen en vrouwen beoordeelt, is de algemene regel die het gedrag van mannen en vrouwen tijdens dit leven reguleert, dat mannen en vrouwen in alle aangelegenheden gelijken zijn. Deze regel is onder meer gebaseerd op de uitspraak van Profeet Mohamed, die zei:

    “Vrouwen zijn de tweelinghelften van mannen” (Gemeld door Imaam Ahmad).

    Uitzonderingen bevestigen ook hier de regel. Hierna worden een aantal van deze gevallen besproken. Er wordt telkens nagegaan of deze uitzonderingen een fundamentele benadeling van de vrouw inhouden.

    5.2. Financieel-economische rechten en geborgenheid van de vrouw

    Van de regels die God openbaarde en waaraan muslims zich moeten houden willen zij een kans maken in het Paradijs te geraken, zijn er een hele reeks die de onderlinge relaties tussen mensen regelen. Daartoe behoren regels die de relaties tussen leden van een gezin (en bij uitbreiding van een familie) regelen. Ze liggen vast in wat men het Islamitisch familierecht noemt. Deze regels hangen nauw samen met de economische situatie van de vrouw. Vermits sommigen in dit luik ongelijkheden menen te ontwarren, wordt nagegaan of hier van fundamentele achterstelling sprake is.

    Volgens het familierecht, ligt de financiële zorgplicht van een gezin volledig bij de man. De man als broodwinner dus. Hij is verplicht te voorzien in alle kosten van zijn gezin. Hij moet daarbij handelen volgens zijn vermogen. Een vermogend man kan bijvoorbeeld niet voor zichzelf maatpakken aanschaffen en voor vrouw en kinderen enkel goedkope confectiekleren bekostigen:

    “Laat haar wonen waar jullie wonen, naar jullie vermogen. (…) De welgestelde moet naar zijn welstand bijdragen geven en wie met mate levensonderhoud is toebedeeld moet bijdragen geven van wat God hem gegeven heeft. …” (Koran 66: 6-7)

    De vrouw heeft daarentegen geen financiële zorgplicht. Omgekeerd zelfs, er wordt vanuit het familierecht altijd voorzien in haar financiële noden en in die van haar kinderen. Deze zorgplicht valt ten laste van haar vader of haar man of haar broer en zo verder, naar gelang van de omstandigheden.

    Een vrouw kan kiezen om huisvrouw te zijn. Als moeder wordt haar taak zeer hoog gewaardeerd:

    Een man kwam bij de Profeet Mohamed en vroeg hem: O Boodschapper van God, wie onder de mensen is mijn gezelschap het meest waardig? De Profeet zei: jouw moeder. De man zei en wie wie daarna? De Profeet zei: jouw moeder. De man vroeg verder, en vroeg wie komt er daarna? Pas dan zei de Profeet: jouw vader. (Bukhari)

    De vrouw in de Islam heeft echter ook het recht te gaan werken, geld te verdienen, eigendom te bezitten in haar eigen naam, te erven, wettelijke contracten af te sluiten, handel te drijven, en haar vermogen te beheren zoals zij dat zelf wenst. Voor dezelfde inspanning, krijgt ze dezelfde vergoeding als de man. Zij kan ook haar eigen bedrijf runnen, en niemand – ook niet haar man – kan aanspraak maken op het vermogen of het inkomen van de vrouw. 5 Het inkomen dat ze verwerft is volledig en exclusief voor haar. Ze moet niets bijdragen om de kosten van het gezin te lenigen, vermits de financiële zorgplicht voor het gezin volledig bij de man ligt. Anders gezegd: zelfs als de vrouw een eigen inkomen of vermogen heeft, is de man nog altijd verplicht te voorzien in alle financiële kosten van de vrouw en haar kinderen. Al is het de vrouw vanzelfsprekend niet verboden een bijdrage te leveren in de kosten van het gezin, maar ze moet dat niet doen.

    Vanuit die context wordt de betekenis van een aantal verzen in de Koran nu duidelijk:

    “De mannen zijn {qawwamuuna} voor de vrouwen, omdat God de een boven de ander heeft bevoorrecht en omdat zij van hun bezittingen uitgegeven hebben (voor het onderhoud van vrouwen)…” (Koran 4:34 – de rest van dit vers wordt later in dit artikel uitgewerkt)

    Er wordt aan herinnerd dat de enige echte Koran de Arabische Koran is zoals Hij geopenbaard werd aan Mohamed. Een Koranvertaling wordt niet als Koran aanzien, maar wel als “een interpretatie van de betekenis van de Koran door een vertaler”.

    De vaak gebruikte vertaling dat mannen “zaakwaarnemers” zijn van vrouwen is ongelukkig gekozen en kan aanleiding geven tot verkeerde interpretatie van dit vers. Vrouwen nemen hun eigen zaken waar, kunnen een eigen job uitoefenen, hun inkomen beheren, enz. Bovendien is het hele vermogen van de vrouw onschendbaar, haar man kan daar niet aan. De Arabische tekst van bovenstaand vers gebruikt het woord {qawwam}. Dit is een intensieve vorm van {qaim} en betekent : zorg dragen voor, verantwoordelijk zijn voor (voor het algeheel welzijn, fysisch, emotioneel, financieel enz.). Het is in die zin dat dit vers begrepen moet worden. Het vers zegt dus eigenlijk: De mannen moeten zorg dragen voor de vrouwen. 2

    Het is om die zorgopdracht te kunnen volbrengen, dat God “de een boven de ander bevoorrecht heeft omdat zij van hun bezittingen uitgegeven hebben (voor het onderhoud van vrouwen)”. De bevoorrechting wordt dus enkel met de zorgplicht in verband gebracht. Dit hangt samen met vers 4:11. Daaruit blijkt dat een man niet bevoorrecht is de zin dat hij superieur is aan de vrouw, maar wel in die zin dat hij in het erfrecht (en enkel daar) financieel een groter deel krijgt omdat hij financieel ook alle lasten draagt. In de Islam krijgt in geval van erfenis een zoon immers twee parten en een dochter één part:

    “God draagt jullie met betrekking tot jullie kinderen op: voor een mannelijk [kind] evenveel als het aandeel van twee vrouwelijke…” (Koran 4:11)

    De zoon moet als man zijn dubbel part gebruiken voor het “zorg dragen van” een hele reeks personen benevens zichzelf (zijn vrouw, zijn kinderen, eventueel ook zijn moeder wanneer vader zou overleden zijn, enz). Hoewel de dochter als vrouw geen enkele financiële zorgplicht heeft, en er in tegendeel altijd financieel voor haar gezorgd wordt, heeft de Islam haar wel een erfdeel toegekend. 6 Het part dat zij krijgt en dat weliswaar kleiner is, mag ze bovendien volledig voor zichzelf houden.

    Het feit dat de man inzake erfrecht financieel bevoorrecht is geeft de man geen enkele superioriteit of dominantie, het geeft hem integendeel extra verantwoordelijkheden die niet vrijblijvend zijn.

    Mannen wordt voorgeschreven royaal te spenderen aan hun gezin:

    Het werd gemeld door Abu-Darda (radhiallaho anho) dat de Profeet (sallallaho alaihi wasallam) mij opdroeg: “Besteed zoveel als mogelijk aan je gezin.” (Kanz)

    Wanneer een vrouw vindt dat haar man te krenterig is, mag ze zelf nemen wat ze redelijkerwijze nodig heeft – zelfs zonder dat hij er weet van heeft:

    ‘Aisha vertelde dat Hint bint ‘Utba zei: “O Gods Apostel. Abu Sufuan is een vrek en hij geeft mij niet voldoende voor mij en mijn kinderen. Kan ik van zijn bezit nemen zonder dat hij er van weet?” De Profeet zei: “Neem wat voldoende is voor u en uw kinderen, en het bedrag moet eerlijk en redelijk zijn” (Bukhari)

    Het niet nakomen van zijn zorgplicht heeft gevolgen voor de man, in het hiernamaals maar ook hier. Wanneer hij niet voldoende spendeert aan vrouw en kinderen, is dit een van de redenen op grond waarvan zijn vrouw een echtscheiding kan aanvragen (Koran 65:6-7). 7

    Dat een man zorgplicht heeft, ontslaat een man evenmin van een deelname in de huishoudelijke taken. In navolging van Profeet Mohamed die een deel van het huishoudelijk werk op zich nam (zoals herstellen van kledij of opmaken van het bed), worden mannen in de Islam aangemoedigd hun vrouwen te helpen in het huishouden, 9 ongeacht of de vrouw huisvrouw is of uit werken gaat.

    Bovendien is het huishouden doen geen verplichting voor de vrouw – al is het in de praktijk vaak zo dat wanneer de man kostwinner is, de vrouw zorg draagt voor het huishouden. Ze moet dit echter niet doen. Van rechtswege is een huwelijk in de Islam immers geen dienstbaarheidscontract maar een verbintenis tussen gelijken. 2,9

    5.3. Vrouwen in de wet

    De rechtspraak maakt geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Mannen en vrouwen worden op precies dezelfde manier beoordeeld. Als haar schade wordt berokkend, heeft de vrouw recht op dezelfde compensatie als die welke aan een man zou toegekend worden in een gelijkaardige situatie. Als de vrouw een burgerlijke misdaad begaat, gelden dezelfde maatstaven en krijgt zij dezelfde straffen opgelegd als een man. 10

    Volgend vers vestigt een principe dat men zou kunnen samenvatten als: “gelijke daden (van man en vrouw) leiden tot gelijke sancties (voor man en vrouw)”.

    “De overspelige vrouw en de overspelige man, geselt elk van hen beiden met honderd geselslagen…” (Koran 24:2)

    Een analyse van de betekenis van lijfstraffen in de Koran valt buiten het bereik van dit artikel. De aard van de sanctie voor het ogenblik dan ook buiten beschouwing latende, toont het vers wel aan dat gelijke daden tot gelijke sancties en straffen leiden. Man en vrouw worden precies op dezelfde manier behandeld.

    Bovendien zijn, op één enkele uitzondering na, ook de getuigenissen van een man en van een vrouw gelijkwaardig. Omdat hierover nogal wat misvattingen bestaan, wordt hier in detail op ingegaan.

    De regel die het algemene principe van gelijkwaardigheid van getuigenis vestigt, is als volgt: 11

    “Zij die hun echtgenotes beschuldigen en behalve zichzelf geen getuigen hebben, het getuigenis van hen zal zijn dat hij viermaal bij God getuigt dat hij iemand is die de waarheid zegt. En de vijfde maal [moet hij uitspreken] dat Gods vloek op hem zal rusten als hij een leugenaar is. En als zij viermaal bij God getuigt dat hij een leugenaar is, dan weert dat voor haar de bestraffing af. En de vijfde maal [moet zij uitspreken] dat Gods toorn op haar zal rusten als hij iemand is die de waarheid zegt.” (Koran 24:6-9)

    Op deze algemene regel van gelijkwaardigheid van getuigenissen wordt in de Koran slechts in één zeer wel omschreven geval een uitzondering gemaakt, met name voor getuigenissen bij financiële transacties:

    “Jullie die geloven! Wanneer jullie met elkaar schuldverbintenissen aangaan tot een vastgestelde termijn, schrijft die dan op. Een schrijver moet het in jullie bijzijn correct opschrijven. Een schrijver mag niet weigeren te schrijven zoals God hem geleerd heeft; hij moet dus schrijven en hij die de verplichting aangaat moet dicteren. Hij moet God zijn Heer vrezen en niets eraan te kort doen. Als hij die de verplichting aangaat zwak van geest of van lichaam is of niet in staat is zelf te dicteren, dan moet zijn zaakwaarnemer correct dicteren. En roept twee getuigen op uit het midden van jullie mannen. En als er geen twee mannen zijn, dan een man en twee vrouwen uit hen die jullie als getuigen aanvaarden, zodat als één van haar beiden zich vergist, de andere haar eraan kan herinneren. De getuigen moeten niet weigeren als zij opgeroepen worden. Verafschuwt niet het op te schrijven, of het klein is of groot, met zijn termijn. Dat is rechtmatiger bij God, juister voor het getuigenis en het bevordert dat jullie niet twijfelen. Alleen als het om aanwezige koopwaar gaat die jullie onder elkaar uitwisselen, dan is het geen overtreding voor jullie als jullie het niet opschrijven. En neemt getuigen wanneer jullie met elkaar een koop afsluiten, maar laat schrijver noch getuige schade lijden. Als jullie dat doen dan is dat voor jullie een schande. Vreest God; God onderwijst jullie en God is alwetend.” (Koran 2:282)

    Wat in dit vers zeker niet gevestigd wordt, is dat vrouwen minderwaardig zouden zijn aan mannen. Er wordt al evenmin gevestigd dat “in het algemeen” de getuigenis van een vrouw minder waard is dan die van de man vermits eerder genoemd vers 24:6-9 de regel vestigt dat hun getuigenissen gelijkwaardig zijn.

    Waar het hier in vers 2:282 wel over gaat, is het nastreven van rechtvaardige financiële transacties.

    Immers, in financiële aangelegenheden is de mannelijke getuige vanuit zijn financiële zorgplicht met zekerheid vertrouwd met deze materie, terwijl de vrouwelijke getuige in dit specifiek geval mogelijk maar niet met zekerheid vertrouwd is met de complexiteiten van financieel beheer aangezien zij geen zorgplicht heeft.

    Het is op grond van dit verschil in zekerheden dat er vanuit het model een mogelijk onevenwicht ontstaat. Dit ondervangen, is de enige reden waarom hier afgeweken wordt van de algemene regel. Op die manier worden onvrijwillige onnauwkeurigheden en onrechtvaardigheden op grond van een mogelijke (maar evenmin zekere) ongelijkheid aan kennis voorkomen, zowel voor getuigenissen bij financiële transacties zelf als in rechtszaken die daarvan het gevolg zouden kunnen zijn.

    Naarmate meer en meer vrouwen deelnemen aan het economisch leven, verzwakt uiteraard het hele argument dat deze uitzonderingsregel nodig maakt.

    Wie de financiële transactie afsluit, een man of een vrouw, maakt niet uit, zij hebben dezelfde rechten. Het vers handelt enkel en alleen over de getuigen in dit specifieke geval, niet over diegenen die de transactie uitvoeren. Een zakelijke overeenkomst kan dus net zo goed door een man als door een vrouw afgesloten worden, en beiden hebben dezelfde waarde. Ook wanneer twee vrouwen een transactieovereenkomst afsluiten, of een man en een vrouw, of twee mannen, kunnen zij daarvoor de getuigenis van een man of van twee vrouwen inroepen. Als “handelaars” of “zaakvoerders” zijn vrouwen volledig evenwaardig aan mannen. Daaruit blijkt eens te meer dat het vers niet de bedoeling heeft vrouwen als minderwaardig of (financieel) onkundig op te voeren. Het vers wordt alleen ingegeven door een voorzichtigheidsprincipe omdat mannelijke en vrouwelijke getuigen vanuit het model niet met zekerheid over dezelfde kennis van deze materie beschikken.

    De regel vestigt verder dat men de getuigen zelf mag kiezen (“uit hen die jullie als getuigen aanvaarden”). Dit verhoogt de kans dat men getuigen met kennis van zaken kan kiezen. De hele uitzonderingsregel is er op gericht de onzekerheid weg te nemen en maximale kansen te bieden dat de getuigen degelijke getuigen zijn.

    Er moet hier herhaald worden dat in alle andere gevallen de getuigenis van een man en die van een vrouw wel gelijkwaardig zijn.

    5.4. Vrouwen in politiek en maatschappij

    De vrouw heeft precies hetzelfde recht op vrije meningsuiting als de man. Er zijn talrijke ahadith waarin gemeld wordt dat vrouwen de discussie aangingen met de Profeet over allerhande onderwerpen. Soms werden naar aanleiding daarvan ook Koranische verzen geopenbaard.

    “Imam Ahmad meldde dat A’ishah zei: “Alle lof komt God toe, Die alle stemmen hoort. De vrouw die twistte kwam bij de Profeet en redetwistte met hem terwijl ik in een ander gedeelte van de kamer was en niet kon horen wat ze zei. God de Verhevene en de Meest Geëerde openbaarde dit vers : “God heeft haar wel horen spreken die met jou over haar echtgenoot twist…” (het betreft hier de Openbaring van de verzen 58:1-4)

    Een vrouw heeft het recht om over het even welke zaak van openbaar belang haar opinie te uiten en deel te nemen aan het politiek proces. 1400 jaar geleden reeds vestigde de Koran het stemrecht voor vrouwen in een vers waarin vrouwen het recht toegekend wordt een leider te kiezen en dit publiekelijk te verklaren:

    “O profeet! Wanneer gelovige vrouwen tot u komen, haar eed van trouw aan u afleggende, (…) neem dan haar trouw aan en vraag vergiffenis voor haar van God.” (Koran 60:12)

    Algemeen worden mannen en vrouwen aangemoedigd deel te nemen aan en bij te dragen tot alle zaken van openbaar belang:

    “Maar de gelovige mannen en vrouwen zijn elkaars medestanders, zij gebieden het behoorlijke, verbieden het verwerpelijke, verrichten de salaat, geven de zakaat en gehoorzamen God en Zijn gezant. …” (Koran 9:71)

    Een vrouw moet dus helemaal niet thuis opgesloten worden. Dat blijkt ook uit de woorden van Profeet Mohamed zelf:

    Aisha meldde dat Saudah bint Zam’ah op een avond uitging. ‘Umar zag haar en herkende haar en zei: “Bij God, O Saudah, waarom verberg jij je niet voor ons?”. Ze keerde terug naar de Profeet (vrede zij met hem) en vertelde hem erover terwijl hij aan het eten was in haar kamer, en hij zei: ” Het is toegestaan door God dat je uitgaat voor je noden.” 12

    Vermits een vrouw zaken mag doen, handel mag drijven, mag deelnemen aan het sociaal leven en aan het politiek gebeuren enz., is de betekenis van de toelating om buitenshuis van alles te doen, zeer ruim. De enige beperking erop is dat de vrouw (net als de man trouwens) zich ook buitenshuis gedraagt in overeenstemming met haar geloof.

    5.5. Huwelijk en seksualiteit

    Het huwelijk wordt in de Islam aanzien als de hoeksteen van de samenleving en vormt een onderdeel van de religieuze verantwoordelijkheden. Mohamed zei:

    ” Wanneer de dienaar van God huwt, heeft hij al de helft van (de verantwoordelijkheden die hem opgelegd worden door) het geloof vervuld.” (Mishkat)

    De bedoeling van het huwelijk is dat mannen en vrouwen bij elkaar vrede en liefde zouden vinden:

    “En tot Zijn tekenen behoort dat Hij voor jullie echtgenotes uit jullie eigen midden geschapen heeft om bij haar rust te vinden. En Hij heeft liefde en erbarmen tussen jullie gebracht.” (Koran 30:21)

    Het huwelijk wordt in de Islam aanzien als een partnerschap, een verbintenis tussen gelijken. Shaykh Dr. Ad-Darsh, voormalig Faqih van Al-Azhar, Kairo, en voorzitter van de UK Shari’ah Council, zegt hierover:

    “de Fuqaha – de legalisten – definiëren dit contract als Aqdu Istimtaa’ – een overeenkomst die alle partijen toelaat genoegen te hebben in deze intieme relatie. Het is geen overeenkomst van dienstbaarheid (servitude) of iets van die aard. Dus wanneer het op de wettelijkheid aankomt, en iedereen zegt “waar zijn mijn rechten”, dan ontheft dit contract de vrouw van het poetsen of dergelijke zaken. In de woorden van Ibn Hazm, een van de grotere literalistische geleerden, is het de plicht van de echtgenoot het eten bereid naar zijn vrouw te brengen. En de Fuqaha zeggen over het algemeen dat wanneer een vrouw behoort tot diegenen die gewoon zijn bediend te worden – de “upper class” – dan is het de plicht van de man om haar een huisbediende te geven om voor hem te zorgen. Hoewel er wordt gezegd dat goede manieren vragen dat de vrouw zorgt voor wat in het huis is, en dat de man zorgt voor wat daarbuiten is, toch is het zo dat normale wellevendheid dicteert dat de echtgenoot zijn vrouw een handje toesteekt”.9

    De Shaykh verwijst daarbij naar het voorbeeld van de Profeet Mohamed, die, zoals eerder gezegd, ook een deel van de huishoudelijke taken voor zich nam.

    In het huwelijk, hebben beide partijen rechten en plichten. Tijdens zijn afscheidsrede zei Profeet Mohamed:

    “O mensen, jullie vrouwen hebben zekere rechten over jou en jullie hebben zekere rechten over hen”.

    1400 jaar geleden was dat baanbrekende taal. Tot dan hadden de vrouwen in de stammen eigenlijk geen rechten. Door Mohamed werden mannen en vrouwen ineens als gelijken behandeld, met wederzijdse rechten en plichten.

    Het behoort tot de rechten van de vrouw dat zij haar echtgenoot kan kiezen. Een meisje kan niet verplicht worden met iemand te trouwen. Ouders kunnen wel een partner voorstellen, maar een meisje is niet verplicht het hiermee eens te zijn. Wanneer ze toch tegen haar zin uitgehuwelijkt wordt, geeft dit de vrouw het recht op echtscheiding:

    “Er werd gemeld door Khansa bint Khidam Al-Ansariya dat haar vader haar ten huwelijk gaf en zij dit huwelijk niet graag had. Dus ging zij naar de Apostel van God en hij verklaarde het huwelijk ongeldig.”

    In een andere versie van deze hadith zei de dame in kwestie dat ze het huwelijk aanvaardde maar dat ze vrouwen wou laten weten dat ouders geen recht hebben om hen een echtgenoot op te dringen (Ibn Majah).

    Een vrouw heeft ook geen toestemming nodig van haar ouders om te huwen. 13

    Verder kan een vrouw zelf haar huwelijkscontract onderhandelen en kan ze daarin allerhande bepalingen laten opnemen. Haar vermogen is in elk geval onschendbaar – er kan nooit beslag op gelegd worden door haar man.

    De gelijkheid van man en vrouw binnen het huwelijk blijkt ook uit wat Islam zegt over seksualiteit, die in de Islam gereserveerd is voor binnen het huwelijk en die daarbinnen ook gereguleerd wordt. In de Islamitische samenlevingen heeft er overigens op seksualiteit nooit een taboe gerust. Seksualiteit wordt aanzien als één van de fysische basisbehoeften (naast eten en drinken). Het zijn ook deze drie behoeften waarvan muslims zich in de Ramadan onthouden van dageraad tot zonsondergang.

    Een bevredigende seksuele relatie wordt als belangrijk aanzien voor een goed huwelijk. Dit geldt voor beide partners. Islam kent man en vrouw het recht op seksuele satisfactie toe. Juist omdat seksualiteit aanzien wordt als een van de fysische basisbehoeften, is het ontbreken van seksuele satisfactie zowel voor de man als voor de vrouw een geldige reden om te scheiden. 8

    Daarnaast maakt Islam het voor mannen en vrouwen ook mogelijk aan gezinsplanning te doen. Uit ahadith blijkt dat de Profeet Mohamed ervan op de hoogte was dat sommigen in zijn gezelschap coïtus interruptus toepasten. Hij verbood hen dat niet. Op grond daarvan wordt in de Islam het gebruik van voorbehoedsmiddelen om aan gezinsplanning te doen toegestaan. 14,15

    Er moet ook nog aangestipt worden dat Islam echtscheiding toestaat – ook voor vrouwen, al moedigt het model eerst verzoeningspogingen aan, onder meer door het inlassen van een afkoelingsperiode. In geval van conflicten in het huwelijk kunnen man en vrouw ook elk een vertegenwoordiger aanstellen (gewoonlijk een familielid), die dan met elkaar gaan praten om zo de weg te effenen voor het oplossen van het conflict. Wanneer verzoening niet mogelijk blijkt, is echtscheiding toegelaten. Talrijke verzen in de Koran en uitspraken van de Profeet handelen hierover. Zo kan een vrouw scheiden omdat een man haar slaat (fysiek geweld tegen vrouwen is verboden – hierover straks meer); omdat hij niet voldoende geld aan haar spendeert; omdat hij haar seksueel niet bevredigt; omdat hij haar behandelt op een manier die zij met geduld niet meer kan verdragen; omdat ze denkt dat het in haar eigen belang is te scheiden; omdat hij in enig opzicht haar geloof hindert (dat is wel zéér ruim); omdat hij zelf handelingen stelt die in overtreding zijn van zijn geloof; omdat ze hem niet meer graag ziet, enz. 7,8. In principe wordt het hoederecht voor kinderen onder de 7 jaar automatisch aan de vrouw toegekend.

    Binnen het huwelijk, worden mannen er voor gewaarschuwd dat ze God moeten vrezen in de manier waarop ze hun vrouwen behandelen:

    Jabir (radhiallaho anho) meldde dat de Profeet (sallallaho alaihi wasallam) ook de volgende instructies gaf gedurende zijn preek tijdens zijn Afscheids Bedevaart. “Vrees God met betrekking tot de vrouwen; vermits jullie hen gehuwd hebben met het vertrouwen van God.” (Mishtat)

    De Profeet heeft hier met andere woorden gezegd dat vrouwen door God beschermd worden tegen wat hun mannen hen zouden kunnen misdoen, op om het even welk vlak. Dat is de allerhoogste bescherming die een vrouw in de Islam kan genieten: het is de bescherming door God zelf. Zo de mannen voor verkeerd gedrag tegenover hun vrouw al niet gestraft worden in het huidig leven, zal dit dus zeker gebeuren op Oordeelsdag in het hiernamaals.

    De Profeet drong er overigens meermaals op aan dat mannen hun vrouwen zorgzaam en attent moesten behandelen:

    Abu Hurayra verhaalt dat de Boodschapper van God zei: “De meest volmaakte gelovige onder de gelovigen is hij die zich best gedraagt en vriendelijkst is tegenover zijn vrouw.” (Abu Dawud)

    De Koran legt mannen ook op mogelijke tekortkomingen van hun vrouwen te verdragen:

    “Als jullie een afkeer van haar hebben, dan zijn jullie misschien wel afkerig van iets waar God veel goeds in gelegd heeft.” (Koran 4:19)

    Maar verdragen alleen is niet voldoende: mannen krijgen de opdracht vriendelijk om te gaan met hun vrouw:

    “…spreek tot hen op een vriendelijke manier…”(Koran 4:5)

    5.6. Over fysiek geweld tegenover vrouwen en gehoorzaamheid

    Profeet Mohamed gaf de mannen de opdracht vrouwen niet te berispen of niet te slaan.

    Bahz Ibn Hakim vertelde: “Ik vroeg de Profeet hoe om te gaan met vrouwen en hij zei: Voed ze zoals jullie jezelf voeden, kleed ze zoals jullie jezelf kleden en sla of berisp hen niet.”

    Hoezo? Geeft de Koran mannen dan geen toestemming om een ongehoorzame vrouw te slaan?

    Deze opvatting is gebaseerd op een interpretatie door traditionalisten en daarop verankerde vertalingen, van het tweede deel van vers 4:34 dat reeds eerder ter sprake kwam. Er moet rekening mee gehouden worden dat de vroege interpretatie van de Koran plaatsvond in een sterk patriarchale maatschappij. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat termen waarvoor verschillende betekenissen mogelijk waren, systematisch geïnterpreteerd werden vanuit het patriarchaal denken van de exegeet. Dit behoort echter tot het cultureel erfgoed, niet tot de oorspronkelijke Boodschap. Modernisten pleiten dan ook voor het herbekijken van deze interpretaties. 16-19

    Wat tot dusver gezegd werd over de plaats van de vrouw in de Islam, wijst op een sterk gelijkheidsbeginsel in een model met veel respect voor de vrouw. Een regel die zou stellen dat mannen hun “ongehoorzame” vrouwen mogen “slaan” zou helemaal niet passen in dit model – hoewel het veel mannen goed uitkomt dat sommige woorden meerdere betekenissen hebben zodat de geïsoleerde verzen in die zin kunnen geïnterpreteerd worden. Of deze interpretatie geldig kàn zijn, en welke andere interpretatie zich opdringt, zal echter snel duidelijk worden uit een gedetailleerde analyse van het vers in samenhang met andere regels uit het Koranisch model.

    5.6.1. Gehoorzame vrouwen?

    Het vers 4:34 beschrijft gehoorzame vrouwen, maar…:

    “De deugdzame vrouwen zijn dus {qanitat}, en zij waken over wat verborgen is, omdat God erover waakt. ”

    {qanitat} is een vrouwelijke meervoudsvorm van {qanit}, gebaseerd op de stam {q-n-t}, en betekent “gehoorzaam zijn”. Maar aan wie? Traditionalisten maken er “gehoorzaam aan de man” van – maar dat staat nergens in het vers vermeld. Bovendien wordt het woord {qanitat} op talrijke andere plaatsen in de Koran uitsluitend in de betekenis van “onderdanigheid, gehoorzaamheid aan God” gebruikt (zowel voor mannen als voor vrouwen). Dit is bijvoorbeeld het geval in de verzen 2:116,238; 3:17,43; 30:26; 33:31,35 en 39:9. Er bestaat geen enkele reden om af te wijken van deze betekenis. 18 Daarom kan gesteld worden dat het in dit vers niet gaat over gehoorzaamheid aan de man, maar dat het wel gaat over gelovige vrouwen die God gehoorzamen.

    5.6.2. {nushuz}

    Vers 4:34 gaat verder:

    “Maar zij van wie jullie {nushuz} vrezen, …

    Het woord {nushuz} heeft verschillende betekenissen, waaronder: antipathie, animositeit, vijandigheid, onenigheid, tweedracht. In de context van het huwelijk, kan {nushuz} vertaald worden als “een vorm van disharmonie in het huwelijk veroorzaakt door man of vrouw” 17, kort gezegd: huwelijksproblemen.

    5.6.3. {adribu}

    Het vers vervolgt:

    “… vermaant haar, laat haar alleen in de rustplaatsen en {adribu} haar… “(Koran 4:34)

    Voor het woord {adribu}, gevormd rond wortel {d-r-b}, bestaan er tientallen betekenissen, waaronder: slaan, ontwijken, negeren, vermijden, verlaten.

    Zoals gezegd, schreven de vroege Koranexegeten vanuit een patriarchale maatschappij en kozen zij systematisch voor interpretaties die daarin pasten. Maar doorstaat de interpretatie als “slaan” de test van het model zelf, waarbij eerder genoemd vers 24:2 de algemene regel vestigt van gelijke straffen voor gelijke daden? Er is immers geen enkele reden waarom er hier van deze algemene regel zou afgeweken worden: als er zelfs bij overspel geen onderscheid gemaakt wordt in straf voor mannen en vrouwen, waarom zou dan voor mindere huwelijksproblemen wel een onderscheid gemaakt worden? Er moet met andere woorden gezocht worden naar de implicaties van de verschillende interpretaties van {adribu} in samenhang met de rest van het model, ook door te onderzoeken tot wat dit leidt voor het omgekeerde geval, met name voor huwelijksproblemen veroorzaakt door de man.

    Stel dat {adribu} betekent: slaan.

    4:34 luidt dan: mevrouw veroorzaakt huwelijksproblemen, meneer spreekt er haar over aan, als dit niet helpt verlaat hij het echtelijk bed, als dat niet helpt slaat hij haar. Dit lijkt geen erg logische “opbouw” van de aanpak, zeker niet wanneer men verzoening op het oog heeft, zoals uit de context van het daarop volgend vers 4:35 blijkt .

    Afgeleide betekenis op grond van 24:2 (gelijke daden, gelijke sancties) zou dan opleveren dat wanneer, omgekeerd, een man huwelijksproblemen veroorzaakt, de vrouw haar man mag slaan.
    Dit zou leiden tot een eindeloze echtelijke vechtpartij! Het is duidelijk dat deze redenering geen steek houdt. Ze is inderdaad ook niet in overeenstemming met wat het model oplegt voor huwelijksproblemen veroorzaakt door de man, wat meteen besproken wordt.

    Stel nu dat {adribu} betekent: ontwijken, vermijden, eventueel zoals Mohammed Abdul Malek 17 voorstelt: tijdelijk verlaten.

    4:34 luidt nu: mevrouw veroorzaakt huwelijksproblemen, meneer spreekt er haar over aan, als dit niet helpt verlaat hij het echtelijk bed (hij ontzegt zichzelf het recht op seksuele satisfactie); wanneer ook dit niet helpt, ontwijkt hij haar in alle andere opzichten (verbaal, enz.), verlaat hij desnoods tijdelijk het echtelijk dak (en ontzegt hij zich dus nog meer huwelijksrechten), in de hoop dat dit voor voldoende afkoeling zorgt en met in het achterhoofd het scheppen van ruimte voor een verzoening (4:35). Dit is al een veel logischere opbouw.

    Afgeleide betekenis op grond van 24:2 (gelijke daden, gelijke sancties) zou dan opleveren dat, omgekeerd, wanneer een man huwelijksproblemen veroorzaakt, de vrouw desnoods ook een paar van haar huwelijksrechten (tijdelijk) opschort, met het oog op het bewerkstelligen van een verzoening.
    En dit is nu precies wat vers 4:128 van de Koran, het vers dat handelt over huwelijksproblemen veroorzaakt door de man, zegt:

    “En als een vrouw van haar echtgenoot {nushuz} vreest dan is het voor beiden geen vergrijp als ze zich met elkaar verzoenen; verzoening is beter…” (Koran 4:128)

    Met deze interpretatie is het model dus perfect consistent.

    Er bestaan verschillende argumenten voor de interpretatie van {adribu} als “ontwijken, vermijden, eventueel tijdelijk verlaten” :

    De consistentie van het geïnterpreteerde model is perfect intact.

    De betekenis van het vers is consistent met de uitspraken van Profeet Mohamed waarin hij stelt dat mannen hun vrouwen niet mogen slaan en waarmee hij dus het verbod vestigt op het gebruik van fysisch geweld tegen vrouwen.

    In die zin geïnterpreteerd, weerspiegelt het vers nu ook het centraal gelijkheidsbeginsel waarmee de Koran mannen en vrouwen behandelt. Met deze betekenis van {adribu} resulteert de toepassing van de algemene regel “gelijke daden, gelijke sancties” (24:2) inderdaad in perfect symmetrische interpretaties voor 4:34 en 4:128.

    Vers 4:34 stemt nu ook overeen met de geest van het daarop volgende vers dat verzoening nastreeft.

    “En als jullie onmin tussen jullie beiden vrezen, zendt dan een scheidrechter van zijn mensen, en een scheidsrechter van haar mensen. Als zij beiden het weer goed willen maken, dan zal God hen met elkaar verzoenen. God is wetend en welingelicht. ” (Koran 4:35)

    De handelswijze is volledig in overeenstemming met de aanpak die het model voorstelt bij huwelijksproblemen, en is ook logisch, met name het inbouwen van (stapsgewijze) afkoeling in de hoop verzoening mogelijk te maken.

    De handelswijze is tevens volledig in overeenstemming met de Koranische regel die stelt dat wanneer iemands iets slecht doet, men dit moet beantwoorden met gedrag dat beter is, om op die manier een vijandige situatie in gunstige zin om te buigen:

    ” Een goede daad en een slechte daad zijn niet gelijk. Beantwoord het slechte met iets dat beter is. Op die manier zal uw vijand uw vriend worden. Maar het wordt slechts aan hen die geduldig volharden aangeboden. ” (Koran: 41:34)

    De Islam schrijft bovendien ook voor boosheid te beheersen. 20 Slaan als een uiting van boosheid, zou dus in tegenstrijd zijn met de Profetische woorden die boosheid (tenzij ze veroorzaakt wordt door onrecht) omschrijven als afkomstig van Satan, die herhaaldelijk verbieden toe te geven aan boosheid en in tegendeel stellen dat men boosheid moet beheersen en zo snel mogelijk moet afkoelen, om te vermijden dat men dingen zou doen die men zich later zou beklagen. Ook in dit opzicht is de vertaling van {adribu} als ontwijken, vermijden, (stapsgewijs) verlaten, consistent met het model terwijl een vertaling als slaan dat niet is.

    - “Wie boos wordt al staande, moet gaan zitten. Als de boosheid dan nog niet bekoeld is, moet hij gaan liggen”(Ahmad, Tirmidhi).
    - “De besten onder jullie zijn diegenen die traag zijn in boosheid en snel in het afkoelen… Hoed u voor boosheid, want het is een levend (brandend) stuk kool op het hart van de afstammelingen van Adam” (Al-Tirmidhi)
    - “Diegene die anderen kan overmeesteren in het worstelen is niet echt een sterk man. Echte kracht is in de persoon die zichzelf kan beheersen ten tijde van boosheid.” (Bukhari)

    Vers 4:34 vervolgt dat wanneer de verzoening er komt, wanneer de vrouw dus opnieuw volledig toegewijd is aan het huwelijk, dan “seek not against them means (of annoyance)” (Yusuf Ali). Met andere woorden: laat haar dan met rust en rakel het voorbije incident niet steeds weer op, gebruik het niet steeds weer tegen haar, begin er niet steeds weer over. Het incident is gesloten. Ook dit is in overeenstemming met de regels van wellevendheid die in de Koran en de Sunnah gevestigd worden.

    Er is met andere woorden een zeer sterke zaak te maken voor het interpreteren van {adribu} als “ontwijken, (stapsgewijs) verlaten”, terwijl gebleken is dat een interpretatie als “slaan” leidt tot inconsistenties en instabiliteit van het geheel van de interpretaties in onderlinge samenhang.

    5.7. Koranische terechtwijzing voor mannen die vrouwen inferieur vinden

    Uit al hetgeen voorafging blijkt duidelijk dat de Koran niet toestaat dat men vrouwen minderwaardig behandelt of hen discrimineert ten opzichte van mannen, maar dat er systematisch een gelijkheidsbeginsel gevolgd en nagestreefd wordt. Dat blijkt ook uit de geest van de uitzonderingen, die er niet op gericht zijn de vrouw als minderwaardig op te voeren, maar kaderen in algemene betrachtingen van rechtvaardigheid.

    Naast het vestigen van de gelijkheid, bevat de Koran daarenboven verschillende terechtwijzingen voor mannen die vrouwen inferieur achten. Zo bevatten de verzen 16:58-62 een zeer strenge terechtwijzing voor mannen die zonen verkiezen boven dochters. De Koran stelt immers dat vrouwelijke en mannelijke kinderen volledig gelijkwaardig zijn (42:47-59).

    6. Besluit

    Uit deze lezing van Koran en Sunnah blijkt dat de vrouw naar voor komt als een afzonderlijk individu, met eigen rechtspersoonlijkheid. Ze kan deelnemen aan het politiek, sociaal en economisch leven. Ze kan zelf haar echtgenoot kiezen, en kan zelf bepalingen in een huwelijkscontract laten opnemen. Het huwelijk is volgens het Islamitisch recht een verbintenis tussen gelijken. De man kan niets van de vrouw eisen, ook geen dienstbaarheid, terwijl de vrouw van de man wel zorgplicht kan eisen. De vrouw geniet de vrijheid thuis te blijven, of uit werken te gaan. In beide gevallen moet de man financieel voor haar zorgen (kledij, woonst, voedsel, medicijnen, enz) en moet hij zijn deel van de huishoudelijke taken doen.

    Het vermogen dat de vrouw zelf verdient of erft, mag ze volledig voor zichzelf houden; ze moet er niets van gebruiken voor het lenigen van de kosten van het gezin. Ze kan haar vermogen beheren zoals ze zelf wil, niemand kan aanspraak maken op dit vermogen, ook haar man niet. Als moeder wordt een vrouw hoog gewaardeerd. Maar met of zonder kinderen, moet de man zijn vrouw met respect, voorkomendheid en vriendelijkheid behandelen en moet hij haar mogelijks minder aangename kantjes verdragen. Het gebruik van fysiek geweld tegen de vrouw is niet toegestaan. Ze kan scheiden, waarbij kinderen onder de 7 jaar in principe aan haar toegewezen worden. Ze heeft hetzelfde recht op onderwijs als de man. Gelijke daden leveren gelijke beloningen op. Meest cruciaal is dat ze door God als gelijke aan de man beschouwd wordt, en door God op precies dezelfde basis zal beoordeeld worden als mannen, dus welke grond zouden mannen dan nog kunnen hebben om vrouwen als minderwaardig te beschouwen? Trouwens, mannen die vrouwen als inferieur aanzien, worden in de Koran scherp terechtgewezen.

    De dagdagelijkse realiteit leert echter dat in veel muslimlanden vrouwen niet de rechten hebben die hen nochtans vanuit de Koran en de Sunnah toegekend worden. In de muslimwereld zijn er dan ook bewegingen actief die een golf van emancipatie op gang willen trekken. Sommigen zien de oplossing in “meer Islam”, niet minder. Ze willen de Koranische rechten van de vrouw in alle uithoeken kenbaar te maken. 21-24 Vaak immers kennen meisjes en vrouwen hun rechten niet omdat zij in barre economische omstandigheden niet aan onderwijs toekomen – iets waar zij nochtans ook recht op hebben.

    Uit bovenstaande analyse blijkt inderdaad dat er niet noodzakelijk en zeker niet op alle terreinen een tegenstelling moet bestaan tussen vrouwenrechten en Islam.

    BLANKE HOLLANDER DOE JE HUISWERK LEES ONDERZOEK EN KOM TERUG ALS IK DAN NIET VAN RASHID IN DE RING VERLIEZ WANT DAN KOM IK NOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOIT OP DEZE SITE CIAO, HOUDOE ,BESLAMA

  34. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:41 pm uur.

    “Wanneer iemand de zwakheid van een ander in deze wereld verbergt, zal God zijn zwakheid verbergen in het hiernamaals.”

    DENK HIER MAAR EENS OVER NA ZO’N ZOETE WOORDEN

  35. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:44 pm uur.

    2.4. Mildheid en geduld tegenover Islamhaters

    De regel zegt dus: wees vriendelijk tegenover alle niet-muslims. Het toepassingsgebied zegt: pas deze regel toe in alle omstandigheden, behalve tegenover diegenen die jullie voor jullie godsdienst vervolgen. Ook volgend vers sluit daarbij aan:

  36. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:45 pm uur.

    DUS MOHAMED B ALS JE DIT LEEST JE GAAT BRANDEN IN DE HEL

  37. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:47 pm uur.

    Het is God zelf die in de Koran de godsdienstvrijheid instelt:

    “In de godsdienst is er geen dwang.” (Koran, 2:256)
    “Wie het wil, die moet dan geloven en wie het wil, die moet maar ongelovig zijn.” (Koran 18:29)

    Het is Muslims formeel verboden anderen te dwingen zich te bekeren tot de Islam.

    “Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen.” (Koran 88:22-23)

  38. blanke hollander
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:48 pm uur.

    @ aklim 22
    Soera 3.28 68 58.22 9.23 5.51Staat letterlijk wordt geen vrienden met niet moslims .enz enz
    ik hoef daar heel de koran niet voor te lezen .
    Zoals ik ook de totale wegenverkeerswet niet hoef te kennen om te weten dat je niet door een rood stoplicht mag rijden.En ja in de bijbel staan ook dit soort achterlijke teksten maar nu komt het verschil: ik christelijke veeg mijn reet af inzake dergelijke teksten zowel voor de koran bijbel en talmoed.
    Want het is pure ubermenschpraat zowel talmoed koran als bijbel .
    Als jij en nog meerdere moslims nu ook eens zo dapper zouden zijn en volmondig zeggen :
    Ik geloof in allah maar met een hoop dingen ben ik het niet eens want dat is puur rascisme en onvriendelijk t.o.v. niet moslims.Zoals ik dat doe inzake de bijbel
    Maar daar ben jij waarschijnlijk te schijterig voor ook al ben je een afgetrainde vechtsportbeoefenaar. want ja die 70 maagden gaan dan aan je neus voorbij.
    Schrijf mij nou eens na in je volgende reactie:
    Ik aklim 22 ben moslim geloof in allah maar ben het met een hoop dingen die in de koran staan niet eens want dat is puur rascisme en onvriendleijk naar nietmoslims ik wacht af.
    En kom nou niet aan met ga heel die koran bestuderen en kom er op terug .
    Dat heeft o.a hans jansen arabist reeds gedaan en die concludeert hetzelfde als ik.
    P.s en dat islam een ideologie is die verschrikkelijk kan worden uitgelegd door de zgn ware moslims en dat dit te achterlijk is voor woorden blijkt maar weer eens uit die nieuwewet
    uit egypte waar je je overleden vrouw nog een beurt mag geven als ze maar niet langer dood is dan 6 uur . Een of andere moslim geleerde uit jawel marokko pleit hiervoor .
    How low can you go.
    In mijn vorige reactie heb ik nog een voorbeeld gezet maar dan omgekeerd wordt geen vrienden met moslims .Wanneer dit een wet zou zijn dan stonden de lijnen van het antidiscriminatiemeldpunt roodgloeiend staan van klagende gediscrimineerde moslims .

    Heb zelf onlangs ook nog een klacht ingediend inzake discriminatie in mekka.Ik wil;de daar op vakantie gaan maar mag er niet in ben nl geen moslim wat vindt je hier dan van ?Stel dat bij het vaticaan een bordje stond verboden voor moslims .Dan is het pas discriminatie want o wee die arme moslims toch en de wereld zou op z n kop staan en terecht.

    prettige avond nog

  39. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:51 pm uur.

    IK KOM BETLEHEM OOK NIET BINNEN WAAR KAN IK AANGIFTE DOEN VAN RASISME GEEN 1 MOSLIM KOMT DAAR BINNEN

  40. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:53 pm uur.

    Ik aklim 22 ben moslim geloof in allah maar ben het met een hoop dingen die in de koran staan niet eens want dat is puur rascisme en onvriendleijk naar nietmoslims ik wacht af.

    IK BEN MET JOU UITGEPRAAT DIT IS DE LAATSTE KEER DAT IK OP JE REAGEER

  41. blanke hollander
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:54 pm uur.

    @ aklim 2 2
    nog een vraag Mag fatima wanneer Fouat is overleden hem ook nog voor de laatste keer heerlijk snorkelen ? mits hij niet langer dood is dan 6 uur ?zijn er voor fatima in de hemel ook 70 jonge adonissen want fatima wil natuurlijk ook wel eens wat.
    Heb jij hier ook nog een aardige soera over want volgens jou is er wel degelijk gelijkheid tussen mannen en vrouwen ben benieuwd.

  42. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:54 pm uur.

    SUCCSES MET JE LEVEN EN HOU JE IN DAT JE GEEN STIJVE KRIJGT ATHIEST ALS JE EEN 5JARIGE KIND OP JE ZET

  43. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:55 pm uur.

    SUCCSES MET JE LEVEN EN HOU JE IN DAT JE GEEN STIJVE KRIJGT ATHIEST ALS JE EEN 5JARIGE KIND OP JE SCHOOT
    ZET

  44. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:56 pm uur.

    WAAROM DOET DE ATHIEST ROBERT M DAT OF FRITZEL

  45. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:57 pm uur.

    OJA ZE ZIJN NERGENS BANG VOOR ER IS GEEN HEL OF HEMEL DUS WAT THE FUCK

  46. blanke hollander
    Geplaatst op april 26, 2012 om 5:59 pm uur.

    @aklim 22 Ik ben trots op je jij bent de eerste moslim die openlijk kritiek levert op de koran
    hoop dat er nog vele volgen .Als we allemaal zo zouden denken dan zou de wereld een stuk gezelliger worden.

  47. blanke hollander
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:02 pm uur.

    @ aklim 22 en ja hoor we zijn er weer de pedofielen worden er weer bijgehaald.

    Denk je nou echt dan een pedofiel zich in zou houden uit angst voor de hel ?
    Dat deed ene mohammed nog niet eens met aischa (flauw he kan ik ook hoor)

  48. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:03 pm uur.

    Vrouwen uit andere culturen

    Voordat ik ga beginnen met de positie van de vrouw in de Islam, wil ik eerst kort wat andere vrouwen naar voren halen uit andere culturen.

    Om te beginnen wil ik het hebben over de vrouw bij de Grieken. Het land waar de democratie is ontstaan en waar alle landen naar opkeken, gunde de vrouw geen waarde en geen aanzien, ze werd als werkster of slavin gebruikt, wat betreft het huwelijk; ze werd uitgehuwelijkt aan een partner die door haar ouders uitgezocht werd. Men vond haar de oorzaak van de problemen en werd alleen als lustobject gezien. Zoals bij de Grieken had de vrouw bij de Romeinen ook geen positie in de samenleving. De man was het “helemaal”, hij mocht zelfs zijn vrouw vermoorden als hij daar behoefte aan had. Bij de perzen had de vrouw ook niet echt iets te zeggen en bij de Hindoes is onderwerping door de vrouw dag en nacht aan een man een principe, de erfenis loopt van man tot man, in de Indoegeschriften is de omschrijving van een goede vrouw als volgt: een vrouw wiens verstand, spraak en lichaam onderworpen zijn zullen in dit leven een hoge status bezitten en in het volgende zullen zij belanden waar hun echtgenoten zullen belanden, de vrouw wordt levend verbrand als haar man komt te overlijden. Bij de Britten werd de vrouw en haar eigendommen tot de 19e eeuw gezien als de bezit van een man. Pas in 1887 mochten de vrouwen in Engeland eigendommen bezitten. In het Christendom wordt de vrouw gezien als de deur naar de Hel. Als de vrouw bij de joden menstrueerde at ze en zat ze apart. De vrouw werd bij de Arabieren in de pre-islamitische tijd (de tijd voor de komst van de Islam) erg slecht behandeld. Als een meisje geboren werd, werd ze levend begraven, de mensen gingen in rouw wanneer er een meisje geboren werd. Onder deze mensen waren er die hun dochter levend begroeven. Allah zegt in de Koran:

    Wanneer aan ??n hunner (de geboorte) van een meisje wordt gemeld, verduistert zijn gezicht en hij is vol toorn. Hij verbergt zich voor het volk vanwege het slechte nieuws dat hem is aangekondigd; zal hij haar in weerwil van schande behouden of haar in het stof begraven? Voorwaar, slecht is hetgeen zij besluiten.” (Surah 16 : Ayah 58-59)

    En wanneer ze gespaard werd van deze vreselijke dood, zou ze werkelijk een verschrikkelijk en vernederend leven leiden. Het was haar niet toegestaan om een deel te erven van datgene wat haar familieleden achterlieten, ongeacht de hoeveelheid geld waar het om ging en ongeacht haar armoede en geldnood. Een vrouw kon ge?rfd worden. Als haar man overleed dan erfde zijn zoon, zijn vrouw. Dus de zoon kon zijn eigen moeder erven. Ze werd verkocht, kreeg geen bruidsschat en werd uitgehuwelijkt. De vrouwen werden enkel als bezit en lustobject gezien die geen recht of positie bezat. Ze had geen persoonlijkheid en werd onophoudelijk onderdrukt.

    De komst van de Islam

    Toen de Islam echter kwam, verbood het deze vormen van onrechtvaardigheid tegenover de moslimvrouw, en kreeg ze haar eer, menselijkheid en eigenwaarde weer terug. De moslimvrouw wordt in de Islam gezien als een wezen met een ziel, die veel respect verdient.

    De Boodschapper van Allah was gekomen en verhief de status van de dochters met de Wil van Allah en maakte het grootbrengen van dochters belangrijk en beloonde de ouders daarvoor in het hiernamaals met een goede positie.

    De Profeet zei:

    ?Een ieder die twee meisjes grootbrengt tot zij de volwassenheid bereiken – diegene en ik zullen (samen) komen op de Dag der Opstanding – en hij strengelde zijn vingers in??n (in het Paradijs).? [Overgeleverd door Moeslim]

    Allah laat ons duidelijk weten dat Hij geen verschil maakt tussen man en vrouw. Hij zegt in de Edele Koran:

    “Ik laat het werk van iemand van jullie die (goed) doet niet verloren gaan, of het nu een man is of een vrouw; jullie horen bij elkaar” (Surah 3 :Ayah 195).

    En Hij herhaalt in een andere vers:

    “Wie het goede doet, man of vrouw, en hij gelooft: voorwaar aan hem geven Wij een goed leven. En Wij zullen hen zeker belonen met hun beloning, volgens het beste wat zij plachten te doen.” (Surah 16 : Ayah 97)

    Allah heeft ons verboden om de vrouw te beschouwen als een bezit dat ge?rfd kan worden zoals bekend was in de pre-islamitische tijd. Hij zegt:

    “O, jullie die geloven, het is u niet toegestaan vrouwen tegen hun wil te erven.” (Surah 4 :Ayah 19)

    Allah heeft de vrouw zelfstandig gemaakt in haar individualiteit. Op die manier werd de vrouw een erfgenaam in plaats van een onderdeel van de erfenis. En Allah heeft haar het recht gegeven om te erven van de rijkdommen die haar familieleden achterlaten. Allah zegt:

    ?Voor de mannen is er een aandeel in wat achtergelaten wordt door de ouders en de verwanten en voor de vrouwen is er een aandeel in wat achtergelaten wordt door de ouders en de verwanten, of het weinig of veel: een vastgesteld gedeelte.” (Surah 4 : Ayah 7)

    Deze regel geldt voor elke vrouw, of ze een moeder is, een dochter, een zuster of een echtgenote.

    De positie van de Vrouw

    De positie van de vrouw neemt een waardevolle plaats in de Islam. Haar aanwezigheid zal vaak een rol spelen in het dagelijkse leven van elke moslim. De moslimvrouw is immers de helft van de maatschappij, zij voedt haar kinderen op, die later een verantwoordelijke taak met zich mee zullen dragen en die later een grote rol zullen hebben in deze maatschappij. Zij is voor haar kinderen de eerste leerschool. Hij maakte haar de baas over haar kinderen. De Profeet heeft gezegd:

    “De vrouw is de bewaker van het gezin van haar echtgenoot en ze zal op de Dag des Oordeels gevraagd worden over degenen die onder haar zorg vielen.” De kinderen dienen hun moeder te respecteren en goed te behandelen. Een man kwam bij Mohammed en zei:

    “O boodschapper van God! Wie heeft het meeste recht om door mij het beste behandeld te worden?” De profeet antwoordde hem: “Jouw moeder.” De man zei: “Wie is de volgende?” Het antwoord van de profeet verbaasd de man. “Jouw moeder”, zegt de profeet weer. “Wie is de volgende?”, vraagt de man nogmaals. “Jouw moeder”, zo gaf de profeet voor de derde maal ten antwoord. De man begrijpt hierdoor dat zijn moeder heel belangrijk is, daarom stelt hij zijn vraag nu anders: Als ik mijn plicht tegenover mijn moeder gedaan heb, wie komt er dan na haar?”, informeert hij. Gods boodschapper zei: “Jouw vader.” [Overgeleverd door Boekharie en Moeslim]

    Dit betekent dat aan de moeder drie keer meer vriendelijkheid en goede behandeling moet worden gegeven dan aan de vader. En in deze zaak is ze bevoorrecht en boven de vader geplaatst.

    Een andere man vroeg aan de Profeet :

    ?Wat is mijn plicht tegenover mijn vrouw?? De profeet antwoorde: “Dat je haar te eten geeft, wanneer je zelf eet, en voorzie haar van kleren, wanneer je jezelf van kleren voorziet en sla haar niet in het gezicht, mishandel haar niet, en zonder je niet af in tijd van misnoegen.? [Overgeleverd door Aboe Da woed, At-Tirmidhi]

    Het Huwelijk en de Bruidsschat

    Het huwelijk in de Islam is een gezegend overeenkomst tussen man en vrouw waarin liefde, harmonie, samenwerking, respect en genegenheid de basis zijn voor een gelukkig huwelijk. De vrouw heeft in de Islam het recht al meer als 1400 jaar geleden gekregen om niet tegen haar wil uitgehuwelijkt te worden. Het huwelijk is een lange levensreis, voor man ?n vrouw. Daarom is het van belang voor beide partijen een partner te vinden die het beste past bij de persoonlijkheid van de man of de vrouw. Allah zegt in de heilige Koran:

    ?En het behoort tot Zijn Tekenen dat Hij voor jullie van jullie eigen soort echtgenotes heeft geschapen, opdat jullie rust bij haar vinden en Hij bracht tussen jullie liefde en barmhartigheid. Voorwaar, daarin zijn zeker Tekenen voor een volk dat nadenkt.? (Surah 30 : Ayah 21)

    Een recht die de vrouwen ontnomen was, was de bruidschat. Het werd een verplichting voor de moslimman en een recht van de moslimvrouw zoals Allah aangeeft in de volgende vers:

    ?En Hij gaf de vrouw het recht op een huwelijksgift en Hij beviel de mannen om haar deze gift volledig te geven, behalve dat deel waar ze vrijwillig afstand van doet.”

    Allah zegt ook:

    “En geeft de vrouwen gewillig haar huwelijksgift. Maar als zij naar haar eigen behagen u er een gedeelte van kwijtschelden, geniet er dan van zonder te vrezen dat dit gevolgen heeft.” (Surah 4 : Ayah 4)

    Allah heeft de echtgenoot ook verplicht gesteld om de vrouw te onderhouden en om haar op de juiste wijze te voorzien.

    “De mannen zijn de toezichthouders over de vrouwen” (Surah 4 : Ayah 5)

    Buitenshuis werken

    De Islam verbiedt de vrouw niet om buitenshuis te werken. Zolang ze zich maar houdt aan de volgende richtlijnen:

    Ze moet de behoefte hebben om dit werk te doen en de samenleving moet haar hiervoor ook nodig hebben. Dit kan alleen maar wanneer er geen man gevonden kan worden die dit werk kan doen.
    Ze moet dit doen nadat ze haar eigen werk (haar taken in huis) heeft afgemaakt. (de taken binnenshuis komen op de eerste plaats).
    Deze baan moet uit te voeren zijn in een omgeving waarin ze niet in contact staat met mannen. Voorbeelden hiervan zijn: het onderwijzen van vrouwen, het verplegen van vrouwelijke pati?nten. Bovendien mag ze niet in contact staan met mannelijke collega’s.
    Evengoed is er niets dat haar beperkt in het opdoen van kennis over de Religie – sterker nog, ze is hiertoe verplicht. En er is niets dat haar beperkt in het onderwijzen van de Religie, zolang als dat nodig is en als haar lessen worden gehouden in een omgeving die alleen uit vrouwen bestaat. Er is niets mis met het bijwonen van bijvoorbeeld lessen in een moskee enzovoort. Men moet gewoon opletten dat deze lessen zich gescheiden houden van de mannen. Men kan dit afleiden uit het voorbeeld van de vrouwen die in het begin van de Islam leefden (ofwel de Sahaabiyaat, vrouwelijke metgezellen). Zij werkten en studeerden en gingen naar de moskee. (Dit komt uit de boek: Tanbeehaat ?alaa Ahkaam takhtassu bil-Mu?minaat van Sjeikh Saalih Al-Fawzaan)

    Conclusie

    Hoe kan de Islam de man opdragen om de vrouw te onderdrukken terwijl de vrouw, een moeder, een echtgenote, een zus, en een dochter is van iedere man. Allah zegt in de Koran:

    ?Wij hebhen de mens op het hart gedrukt betreffende zijn ouders, zijn moeder droeg hem in zwakte op zwakte, en zijn zogen nam twee jaren in beslag. Zeg Mij en uw ouders dank, tot Mij is de terugkeer. (Surah 31 :Ayah 14)

    Om af te sluiten wil ik de conclusie trekken dat de Islam de man en de vrouw niet als gelijksoortige maar als gelijkwaardige ziet, in geen enkele opzicht bestaat er een verschil tussen man en vrouw wat betreft waarde van goede daden of slechte daden. Het enige verschil is dat een man en vrouw fysiek niet hetzelfde zijn. Door de lichaamsbouw van de man heeft hij bepaalde taken die de vrouw niet tot haar verantwoordelijkheden hoeft te rekenen. De man kan ook bijvoorbeeld geen kinderen baren of borstvoeding geven. Dat zit niet in zijn natuur. In de Islam worden de verschillen tussen mannen en vrouwen duidelijk benadrukt maar ze toch als gelijken worden aangesproken. Allah leert ons dat mannen en vrouwen elkaar nodig hebben en dus elkaar kunnen aanvullen. Allah zegt in de Koran :

    “Zij zijn bekleding voor jullie en jullie bekleding voor haar” (Surah 2 : Ayah 187)

    MOND DICHT MONGOOLTE

  49. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:06 pm uur.

    voor vrouwen is de kennis van de Heilige Qor’aan en de Fiqh (islamitische rechtswetenschap) de kern van het leven. Indien de vrouwen deze kennis niet bezitten, zal de gehele sociale realiteit van Geloof van alle wezenlijke betekenis beroofd worden. Onder de vele vooraanstaande vrouwen die deze kennis bezaten was ook A’ishah, de echtgenote van de profeet Mohammed, vzmh (Moge Allaah welbehagen in haar stellen). Zij overleverde niet alleen veel van de soennah (handelingen van de profeet, vzmh) maar tevens het verhaal van de tanzil (redenen van openbaring), van een groot gedeelte van de Heilige Qor’aan.
    Steeds als wij over de openbaring van Heilige Qor’aan iets leren, leren we tegelijkertijd iets over de profeet (vrede zij met hem), die eigenlijk een wandelende Qor’aan was. Qor’aan studie en het lief hebben van zijn karakter gaan eigenlijk hand in hand; het een is het ander. Onze erfenis is afkomstig van deze vrouwen uit Medina (Moge Allaah tevreden over hen zijn) die tot de beste studenten behoorden. De samenstelling van de Heilige Qor’aan zoals hij tegenwoordig wordt uitgegeven, hebben we voor een groot deel aan Hafsa (ra) te danken. Zainab (ra), de kleindochter van de profeet (vzmh) sprak jarenlang alleen met directe verwijzing naar de Heilige Qor’aan; dit kwam tot uiting in haar dagelijks leven, zakelijke handelingen en haar gesprekken. Het moet als de veelomvattendheid van de Heilige Qor’aan gekenmerkt worden, dat menigeen dit tot haar dood niet wist.

    In de tijd van Djoenayd beantwoordde een slavin zelfs alle vragen met de woorden van de Heilige Qor’aan. Dit waren toonbeelden van vrouwen die in de glorietijd van de Islaam hun religieuze levenswijze (dien) beleefden. Zij hebben ons laten zien dat de liefde voor en kennis van de Heilige Qor’aan meer een norm dan een uitzondering zal moeten zijn, wil de geloofsgemeenschap goed functioneren.

    Vrouwen hebben de sleutel tot de waarheid

    De studie van de Heilige Qor’aan is eindeloos en brengt ons bovendien in een zekere extase. De politieke invloed van deze studie, vooral in deze door ongeloof gedomineerde tijd, zal voor vrouwen enorm zijn. Er worden heden ten dage zoveel zinloze gesprekken en debatten over de rol van de vrouw dan wel over het doorbreken van het traditionele rollenpatroon gevoerd; hoewel wij vrouwen in de Heilige Qor’aan eigenlijk de sleutel in ons bezit hebben om de waarheid te kunnen ontdekken. Wij moeten onszelf leren kennen, weten waar we mee bezig zijn en elkaar onderwijzen en motiveren, want onze tegenstanders zijn overal aanwezig.

    De sleutel positie van de gelovige vrouw is dan ook die van een student van de Heilige Qor’aan en tegelijkertijd is het noodzakelijk onze nobele islamitische levenswijze hoog te houden. Bedenk eens wat voor krachtige invloed dit zal hebben op de geloofsgemeenschap indien de vrouw haar juiste betrekking her-inneemt. Dit was de steun voor de mannen die zich tot het uiterste inspanden om de religieuze levenswijze te vestigen, en niet alleen een thuisland.

    Grondige kennis van de Heilige Qor’aan en de islamitische levenswijze vormt de basis van zo’n religieuze samenleving. Er kan geen twijfel over bestaan dat deze studie de gemeenschap niet onveranderd zal laten. De Waarheid zal weer herleven en de leugen zal verdwijnen, omdat studie van de Heilige Qor’aan een edelmoedig karakter ontwikkelt. Er zal geen plaats meer voor iets anders zijn.

  50. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:07 pm uur.

    vrouwen met een onverwoestbaar geloof in God gaan niet op de knieen voor kritiek en spotternij.

    Mijn beste zusters, wees standvastig!Triomf is niet beperkt tot onmiddelijke overwinning.

    Wanneer wij vrouwen het kleed van godvrucht (hidjaab) dragen, zullen de meeste mensen spotten, onze ideeen belachelijk maken, lachen om onze waarden maar dit moet het hart van de gelovige niet verzwakken. Alleen wanneer we een sterk geloof en vertrouwen in Allaah hebben, kunnen kritiek en spotternij onze kracht van vastberadenheid niet aantasten. Wij vrouwen moeten vasthouden aan onze nobele levenswijze en kledingstijl alsof het een kostbare steen is in een samenleving die verstoken is van religie, van karakter, van hoge waarden, van edele manieren en alles wat schoon, zuiver en mooi is. Voor elk gelovend individu dat zich totaal overgeeft aan de Leiding van Allaah, zijn Schepper, betekent dit onvermijdelijk en onafwendbaar dat hij/zij ondervraagd (ofwel: met verachting bespot) zal worden zoals gebeurde bij al Zijn boodschappers en de enkelingen die hen volgden en in Allaah geloofden.

    De Goddelijke boodschap die zij verkondigden, was precies tegenovergesteld aan alle dingen waar de mensen naar streven en DAT behaagt hun zielen niet. Zulke mensen bedrijven spotternij om degenen die zich overgeven aan De Ene, Ware God (in het Arabisch: moslims) te ontmoedigen en anderen ervan te weerhouden naar de Waarheid te luisteren en tegen de gelovigen op te zetten. “Wij (Allaah) weten inderdaad dat uw boezem benauwd wordt vanwege hetgeen zij zeggen, maar verheerlijk uw Heer met de lof die Hem toekomt en behoor tot degenen die zich ter aarde werpen” (Qor’aan 15:98).

    We kunnen waarnemen dat met name de gelovige vrouwen en hun status bekritiseerd en belachelijk gemaakt worden. Wij, zusters in Het Geloof, zijn immers de religieuze vaandeldragers doordat wij onze overgave aan God heel duidelijk zichtbaar, merkbaar en levend houden door middel van het kleed van godvrezendheid (hidjaab), het waarborgen van de heiligheid van de funktie van de vrouw als ziel van de gemeenschap en grondige studie van de bronnen naar het pad van Overgave: Qor’aan en hadieth (overleveringen van profeet Moehammad). Zei de profeet (s.a.w., moge Allaah hem prijzen en vrede schenken) niet: “Het onderwijzen van een vrouw is het onderwijzen van een volk, van een natie.” En DIT geheel werkt bij velen allergisch!

    Doordat wij een levenswijze hoog houden die lijnrecht tegenover die van de ontkenners (al kaafiroen) staat, menen zij dat wij geen vrijheid hebben. Wij, nemen precies het tegenovergestelde standpunt in. Voor ons is overgave aan De Ene, Ware God (in het Arabisch: Islaam) bevrijdend. We vinden onze zingeving erin, ontlenen onze inspiratie eraan. De boodschap van bevrijding, weg uit ellende, is voor ons een houvast, een belofte, een kracht waaraan we ons kunnen optrekken.

    Zo smeekt een gelovige in elk gebed aan Allaah, zijn Onderhouder: “Leid ons op het rechte pad. Het pad van degenen aan wie Gij Uw gunsten hebt geschonken,” (Qor’aan 1:6+7) ofwel: het pad van de profeten. De rest van de Qor’aan is het antwoord op dit smeekgebed. De weg naar de heilige Qor’aan, de laatste Roep van God – die nu gericht is tot de gehele mensheid – is het rechte pad. Elk hoofdstuk is een fontein van rijkdom dat onophoudelijk stroomt: “Voorwaar, Wij (Allaah) hebben u in overvloed het goede gegeven. Bid daarom tot uw Heer en offer” (108:1+2). “Als het een onmiddelijke winst en een korte reis was geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd, maar de vermoeiende reis scheen hen te lang” (9:42).

    De weg naar Allaah is eenzaam en niet winstgevend op de korte termijn maar kan ondermeer betekenen: vrees, aantasting van onze eer, schorsing van school, ontslag van de werkgever, verlies van vrienden’, verlies van (warm) contact met familie… Als zij zich dan afwenden, zeg dan: “Allaah is mij voldoende. Er is geen god naast Hem. Op Hem vertrouw ik want Hij is de Heer van de grote heerschappij” (9:128). Ondanks alle moeilijkheden en al het verdriet is het hart van de gelovige tevreden, hoewel hij zijn leven kan doorbrengen zonder uiterlijk succes. Triomf is niet beperkt tot onmiddelijke overwinning, dit is maar een van de vele vormen van triomf. “Voorzeker, Allaah heeft van de gelovigen hun levens en bezittingen gekocht in ruil voor het Paradijs … een onfeilbare belofte in de Torah, en de Indjiel (Evangelie) en de Qor’aan”… (9:110). “Zoekt hulp door geduld en gebed; dit is inderdaad moeilijk behalve voor degenen die zich nederig onderwerpen (aan Allaah)” (2:45). “…En wie is getrouwer aan zijn belofte dan Allaah?… (9:110):

    “Vervolgens begon hij (profeet Noach) de ark te bouwen en telkens wanneer leiders van zijn volk hem voorbijgingen spotten zij met hem. Hij zei: “Hoewel gij nu met ons spot, toch zullen wij (op onze beurt) spotten met u, zoals gij met ons doet. Spoedig zult gij weten over wie het is dat een vernederende straf zal komen en op wie een blijvende bestraffing zal neerdalen.” (Heilige Qor’aan 11:38 en 39)

    “Maar er kwam nooit een boodschapper tot hen of zij bespotten hem. Zij geloven er niet in, hoewel er het voorbeeld der vroegere volkeren is geweest.” (Heilige Qor’aan 15:11 en 13)

    “Telkens als een boodschapper tot u kwam met hetgeen uw ziel niet behaagde, hebt gij zich hooghartig gedragen.” (Heilige Qor’aan 2:87)

    “Waarlijk, de schuldigen lachten gewoonlijk om de gelovigen, en wanneer zij hen voorbijgingen, knipoogden zij tegen elkander.” (Heilige Qor’aan 83:29)

    Onbreekbaar
    Mijn beste zusters, kiezen voor het juiste pad dat van dwaling is onderscheiden, houdt in dat we alles achter ons laten en ons richten op iets nieuws en onbekends. De Qor’aan wijst de weg aan en bereidt ons voor om de hindernissen die het leven voor ons in petto heeft, te overwinnen. “Dit is een volmaakt Boek, daaraan is geen twijfel, een leidraad voor de godvruchtigen” (2:2). En heeft Allaah’s laatste boodschapper Moehammad (de veel geprezene) ons in dit smeekgebed geen sterk houvast gegeven dat onbreekbaar is?: “…Diegene die wordt geleid door Allaah; er is niemand die hem kan misleiden en diegene die afdwaalt; er is niemand die hem kan leiden…” Daarom moeten wij naar de woorden van Allaah, De Al-Wijze, luisteren en ze geheel opvolgen zonder uitzondering, zonder trots en zonder uitstel. Doe je eigen ziel daarbij geen onrecht aan door jezelf voor de gek te houden. Wees alsjeblieft heel eerlijk tegen jezelf.

    Profeet Moehammad (s.a.w.) confronteert ons met onze houding:
    “Het geloof is niet gebaseerd op verwachting, maar op hetgeen het hart vervuld en hetgeen blijkt uit daden. Er zijn mensen bedrogen uitgekomen door hun verwachtingen tot zij het aardse leven verlieten zonder goede daden (hassanaat). Zij hadden gezegd: Wij hebben vertrouwen in Allaah’… leugenaars, als ze vertrouwen hadden, dan hadden ze hun plicht goed moeten vervullen.”

    En Allaah, De Al-Doorziende, houdt ons een spiegel voor en zegt: “…En wanneer tot hen gezegd wordt: Komt tot wat Allaah heeft geopenbaard en tot de boodschapper’, dan ziet gij de huichelaars vol afschuw hun gezicht van u afwenden” (4:61). “…Gelooft gij dan slechts in een gedeelte van Het Boek en verwerpt gij de rest?… (2:85)

    Overwinning
    Mijn beste zusters, het geloof in de harten van de gelovigen moet sterk zijn zodat het ons verheft boven alle kritiek, spotternij, onderdrukking en slavernij aan onze ego (nafs). “Verslapt noch treurt; gij zult zeker overwinnaar worden, indien gij gelovig blijft” (3:140). Deze overwinning wordt niet alleen behaald door geduld en standvastigheid maar ook door het gevoel van superioriteit van het geloof. Wordt je nagestaard omdat je hidjaab draagt? Nou en! Laat ze maar kijken dan zien ze tenminste hoe het moet! “Gij (moslims) zijt de beste gemeenschap die voor de mensheid (ter lering) is voortgebracht” (3:110). En laat hen de vastberadenheid in je vinden van iemand die een doel voor ogen heeft “…en weet dat Allaah met de godvruchtigen is” (9:122). Recht je rug; een goede houding is net zo belangrijk als een goede instelling. En als de gelovige vrouw vanuit haar hoogte met medelijden en sympathie naar de dwalende mensheid kijkt, met haar hulpeloosheid en fouten dan ervaart zij niets anders in haar hart dan een gevoel van triomf over de fouten en de domheden. “…Verheugt u daarom in de verbintenis die gij met Hem hebt gesloten. En dat is de grote zegepraal” (9:110).

  51. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:07 pm uur.

    maatschappij heeft voorspoed wanneer vrouwen de religie navolgen, bewaren en uitdragen

    Het is geen geheim dat we heel erg in nood zijn, dat er gebrek is aan goede, krachtige leiding in de geloofsgemeenschap. Met behulp van vastberaden vrouwen kan een groot tekort aangevuld worden. Wij vrouwen kunnen heel veel doen als we willen. We kunnen elkaar stimuleren en kennis aan elkaar doorgeven. De sluier van het geloof kan ons omvatten en ons gebed kan de plaats innemen van te veel praten en roddelen. Wat we van Allaah, De Gever van alle Gaven, gekregen hebben – de kennis van de heilige Qor’aan – dat hebben we zelf heel hard nodig. We moeten met de geest en het hart luisteren naar de heilige Qor’aan. Ons oog en oor zal dan van onze Heer zijn en niet meer naar haram, het verbodene, kijken en luisteren, want Allaah is onze Koning zoals staat in het troonvers (aya al-koersie) in de heilige Qor’aan (2:255 ; Al-Baqarah)

    Je bent zelf bewaker van je geloof en het verspreiden ervan naar anderen. Onze geliefde profeet Mohammed (s.a.w., moge Allaah hem prijzen en vrede schenken) heeft immers gezegd:
    “Het onderwijzen van een vrouw is het onderwijzen van een volk, van een natie.”

    HARMONIE

    Intelligente moeders en echtgenotes weten al lang dat de ontwikkeling van een evenwichtig, Godvrezend medemens binnen het gezin ligt. Als een vrouw de betekenis van de heilige Qor’aan inziet en de man daarbij het goede voorbeeld geeftt, dan komt er harmonie binnen onze gezinnen. Degenen die leren de salaaht (het islamitisch gebed) op tijd te doen, die zullen worden aangesproken door de liefde tot de heilige Qor’aan. Zij krijgen liefde voor het zoeken van kennis.

    Ik ken een 80-jarige vrouw die onafgebroken aan het studeren is. Haar kennis over de Islaam is meer dan veel personen om haar heen. En ze geeft haar kennis ook door aan anderen, alhamdoelillaah (alle lof en dank is voor Allaah). Hiermee wil ik aangeven dat het belangrijk is om veel contacten te leggen. Bezoek elkaar vaak, en als je moeilijk weg kunt, telefoneer of schrijf je moslimzusters. Wat heb je geleerd? Geef het mij door? Wat weet je van de hadieth (uitspraak van de profeet Mohammed, s.a.w.) en wat van de soenna (voorbeeld van de profeet, s.a.w.)? Ik zal je overhoren en als ik wat geleerd heb, dan vertel ik jou erover. Leer en begrijp hoofdstuk Al-Djoema = De bijeenkomst (62) uit de heilige Qor’aan en hoofdstuk As-Saff = De slagorde (61). Doen wij dan helemaal niets meer met de heilige Qor’aan?

    Onder het volk van Israel zijn er diegenen die als ezels zijn, die het boek slechts dragen maar dat niet begrijpen. Zijn wij zoveel beter? Laten wij dan de vijf dagelijkse gebeden uitvoeren en veel dhikr doen (Allaah op allerlei manieren gedenken door het vaak uitspreken van zijn naam, Qor’aan-lezen, studie-bijeenkomsten over Islam bijwonen, en ga zo maar door). Allaah, De Alwijze, heeft gezegd: “Zouden jullie geloven in een deel van wat Ik zeg? En verder: “O gij die gelooft, waarom zegt gij hetgeen gij niet doet? (Heilige Qor’aan 61:2 ; As-Saff).

    VOORSPOED

    In de tijd dat Aisha, een van de echtgenotes van de profeet, s.a.w. (r.a.) jong was, leefden de gelovigen alsof de heilige Qor’aan tussen hen door liep. Ze leefden met het Woord van Allaah, De Verhevene, en dat was ook de tijd dat het voorspoedig ging met de geloofsgemeenschap. Kunnen wij daar geen voorbeeld aan nemen? Door hun kennis konden zij aan een ideale samenleving bouwen, waarin de Islaam tot grote bloei kon komen. Waarom doen wij dan geen inspanning om tot die kennis en geloof te geraken? We mogen kiezen: of we voeren kennis en geloof tot de top of we blijven op ons laagst mogelijke niveau.

    Aisha (r.a., moge Allaah welbehagen in haar stellen) zelf, was een bijzondere persoonlijkheid die later een invloedrijke rol in de islamitische geschiedenis zou gaan spelen. Haar grootste gaven waren haar hoge intelligentie, goede verstand en snelle geheugen. Ze heeft dan ook meer dan twee duizend ahadieth (handelingen van profeet Mohammed, s.a.w.) overgeleverd, de uitleg van de heilige Qor’aan, vele soennah’s en fiqh (islamitische rechtwetenschap). Tevens was ze de derde persoon die de gehele Qor’aan uit haar hoofd kende (haafiz). Naast dit alles gaf ze les aan vrouwen en kinderen. Wij vrouwen van nu moeten haar voorbeeld volgen door onder andere kennis aan elkaar over te dragen en onze kinderen te onderwijzen.

    UITNODIGING

    Allaah, De Liefdadige, heeft in Zijn grote Wijsheid vanuit Zijn gehele schepping, die de hemelen en de aarde bevat en alles wat daartussen is, de mensheid uitgenodigd om Zijn Woord in de heilige Qor’aan als amana te ontvangen. Amana betekent: iets krijgen om te bewaren, of in bruikleen hebben en (na ons leven) weer terug te geven.

    Wat moeten we met het woord van Allaah, De Gever van alle gaven, doen? Wat zijn de regels waaraan wij ons kunnen houden?

    Wij zijn studenten en we zijn dat gedurende ons hele leven. We zullen goed moeten opletten en daarbij allereerst drie punten in overweging nemen:
    Islaam is navolgen wat in de heilige Qor’aan staat, dat maakt ons tot een gelovig of ongelovig mens;
    Het Woord van Allaah (SWT) goed bewaren want het vormt onze voornaamste bescherming tegen alles wat niet goed voor ons geestelijk en lichamelijk welzijn is;
    Da’awa: Over de heilige Qor’aan vertellen en uitnodigen tot het volgen van de Islaam. Uitleggen wat er nodig is om als moslim te kunnen leven.

    IJVER

    Wat is daarvoor nodig?

    Vanzelfsprekend vijf keer per dag de salaaht, het islamitisch rituele gebed, in praktijk brengen. Er zijn natuurlijk altijd mensen die heel ijverig zijn, zij spannen zich in op de weg tot Allaah (SWT). Maar er is altijd een conflict tussen de wereld (doenja) en het geloof. “Laa ilaha ill-Allaah” niemand heeft het recht om aanbeden te worden dan Allaah (SWT), betekent ook: alle daden die ik doe zijn voor Allaah, De Glorierijke. Tahara (reiniging) moet ik leren; dat is het slechte, overtollige, (zoals te veel praten en roddelen) voortaan achterwege laten en het goede, reine – wat in elk mens zit – verfijnen van geest en manieren.

    De drie genoemde punten kan je niet los van elkaar zien. Navolgen, bewaren en uitnodigen behoren tesamen. Als er een valt, dan valt alles, dit noemt men het zogenaamde domino-effekt. Dan heb ik er niet goed voor gezorgd, ik heb dan geen amana gedaan.

    (GEESTELIJKE) REINHEID

    Lees, overdenk en begrijp het geloof, zo kom je tot aabidding. Doe het met een rein lichaam en reine geest. Weet dan wat je lichaam en geest nodig hebben, let op wat voor (geestelijke) voedsel je tot je neemt, wat je eet, met wie je omgaat en waar je naar kijkt en luistert.

    Lees de heilige Qor’aan en de hadieth (overleveringen van profeet Mohammed, s.a.w.), zijn woorden en zijn daden. De eerste openbaring die hij (s.a.w.) kreeg via de engel Djibriel (Gabriel, a.s.) was: “Iqra! (“Lees voor!”, “Onderwijs!”) in de naam van uw Heer Die geschapen heeft.” Dit brengt ons naar het goed begrijpen van de heilige Qor’aan en de hadieth (overleveringen). Probeer eens tien ayaat (Qor’aan-verzen) uit het hoofd te leren en in de praktijk te brengen. Want islamitische kennis is onmisbaar om te kunnen leven als moslim. Iedere dag een of twee uur Qor’aan lezen en in praktijk brengen geeft ons een zinvol leven en is een medicijn voor veel kwalen waaronder wij gebukt gaan.

    Bedenk eens hoe je die amana, dat bewaren, kunt uitvoeren, zodanig dat alle zintuigen in dienst van Allaah, De Liefdadige, zijn. Tenzij ik niet meer kan spreken dan pas kan die amana weer teruggenomen worden. En tot zolang kunnen al onze zintuigen in dienst van Allaah, onze Schepper, staan.

    VERANTWOORDING

    Er zal in het Hiernamaals tenminste vier zaken aan de mens gevraagd worden waarover hij zich moet verantwoorden:
    Hoe heb je je leven besteed? Wat heb je ermee gedaan voor je Schepper?
    Hoe was je jeugd? Want wat er in je jonge jaren gebeurt, kan je hele leven veranderen.
    Wat heb je met je geld gedaan? Heb je het verspild of heb je aan de behoeftigen gedacht?
    Waren je daden niet voor jezelf maar in Zijn dienst?

    Aan de poort van de hemel zal gelet worden op elke man en vrouw die een gelofte uitgesproken heeft maar hem niet gehouden heeft. Er zal gelet worden op elke vrouw of ze de Islaam in haar huis en in haar hart gekoesterd heeft.

    We beeindigen met vergiffenis aan Allaah, De Meest Genadevolle, te vragen zodat we met een rein hart aan onze grote taak kunnen beginnen.

    “Allaah wil slechts het makkelijke voor u, en Hij wenst u niet in moeilijkheden te brengen.” (Heilige Qor’aan 2:185 ; Al-Baqarah = De koe)

    —————————————————–

    Bron: Artikel “Wat vrouwen van deze tijd nodig hebben” uit het Ned-Islamitisch maandblad Al-Nisa/ juni 1988/ Door zuster Hanna Hittoe, lerares in de sjarie’ah (Islamitische rechtwetenschap) in Koeweit/ Plaats van de lezing: Moslim Informatie Centrum, 10 augustus 1987/ De lezing werd gehouden in de schone Arabische taal, de taal van de heilige Qor’aan en van onze geliefde profeet Mohammed (moge Allaah hem prijzen en vrede schenken) met Nederlandse toelichting door zuster O. Korz Het verslag van de lezing is gemaakt door zuster J. Dhib. (De volgorde van de alinea’s van dit verslag is enigszins aangepast).

  52. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:09 pm uur.

    De vrouw in ere gehouden.
    De edele scheppingsvorm van de vrouw wordt alleen door de islaam in ere gehouden. De Islaam verheft de status van de vrouw en geeft haar bescherming tegen oneerbaarheid en negatieve invloeden die haar lichaam misbruiken voor materialistische doeleinden. Een gemeenschap waarvan de mensen geld en materialisme begeren, onderdrukt zijn waarden en normen. Daardoor kan de natuur van de mens niet tot zijn positieve uiting komen.

    Het beeld dat we zien in niet islamitische gemeenschappen is veelal: overspel, onzedelijkheid en gezinsbreuk. De geestelijke waarden en menselijke relaties worden erdoor geschaad en het leidt uiteindelijk tot normvervaging en wanorde. God de Alwetende, Schepper van alles, heeft belangrijke gedragsregels vastgesteld voor zowel de man als de vrouw. Alleen door Zijn regels kan een positieve en liefdevolle samenleving tot stand komen.

    De mens hoeft zich niet in kloosters op te sluiten om een dergelijke samenleving tot stand te brengen, noch hoeft hij zijn gevoelens te onderdrukken, die wij van God ontvangen hebben. In de Islaam zijn de taken en regels bepaald naar de natuur van beide sexen. Door de lichaamsbouw van de man heeft hij bepaalde taken die de vrouw niet tot haar verantwoordelijkheden hoeft te rekenen. De man kan ook bijvoorbeeld geen kinderen baren, borstvoeding of moederliefde geven. Dat zit niet in zijn natuur.

    De moeder is een leerschool.
    Dit zijn taken waarvoor de vrouw geschapen is en hierbij is moederliefde een belangrijk onderdeel. De moeder is een leerschool, een goede voorbereiding betekent een goed volk. De barmhartigheid van moeders is een bron van liefde die wij allemaal meekrijgen en onmisbaar is in onze opvoeding. De liefde die wij putten uit deze bron is van grote invloed op ons gedrag tegenover de medemens.

    Een natie bij wie moederliefde voldoende is overgedragen, betekent een volk met liefde in zich. Moederliefde moet goed overgedragen worden om een goede samenleving tot stand te brengen. Zonder haar liefde zouden we iets te kort komen in ons mens-zijn. Het spreekt vanzelf dat haar liefde en haar waarde door niets en niemand aangetast mag worden. Dit is onmogelijk als de moeder of aankomend moeder als een lustobjekt wordt behandeld, doordat haar lichaam als vleeswaar wordt uitgestald.

    Haar recht om zich te bedekken.
    De vrouw is een aantrekkelijk wezen waarvan misbruik gemaakt kan worden. Misbruik begint al bij het zien van haar lichaam. Daarom heeft God, de Alwetende de vrouw het recht gegeven en de plicht opgelegd om haar schoonheid te bedekken. Dit is de manier om haar waarde als mens te handhaven. Ook voor de man zijn er regels, het is zeker niet zo dat alleen de vrouw voor orde moet zorgen, ook aan de man zijn er gedragsregels opgelegd die wij zowel in de Qor’aan als in de overleveringen van de profeet (vzmh) terug kunnen vinden.

    Kortom: Het zien van de vrouw als een sexobjekt is in de Islaam een zonde. Het kan zelfs zo zijn dat we de schepping van God ermee beledigen. God wil niet dat de vrouw zich er voor leent en op zo’n manier beledigd wordt.

    Het nut van de sluier
    Waarom wordt de sluier als een onaangenaam kledingstuk beschouwd, in een maatschappij waarin de vrouw als een lustobjekt wordt benaderd? De sluier beschermt de vrouw tegen negatieve invloeden en handelingen van buitenaf. Ogen sturen de informatie die ze zien door naar de hersenen. Deze informatie wordt in de gedachtengang behandeld en daaruit wordt de intentie bepaald. De sluier beïnvloedt het beeld voor de ogen en houdt de intentie van de medemens mogelijk rein en zuiver.

    De sluier bedekt de vrouw tegen zoekende ogen waarachter een slechte intentie kan verschuilen. De schoonheid van de vrouw wordt niet gezien door degenen die een slechte intentie kunnen dragen of de intentie kunnen hebben die kan leiden tot vrijmoedig gedrag. De sluier voorkomt een heleboel nare problemen.

    Om over na te denken:
    Stel je voor:
    Je vindt een zeer uitzonderlijke diamant.
    Het is de mooiste edelsteen die je ooit gezien hebt.
    Oogverblindend, zo mooi schittert het.
    Zou je het niet koesteren?
    Zou je het niet goed bewaren, op een plekje waar niemand het vinden kan, wetend dat anderen net als jij onder de indruk zouden zijn en het ook graag zouden willen hebben?

    Zou de vrouw geen voldoening hebben in haar relatie als de schoonheid van haar man niet door andere vrouwen wordt gezien? (d.m.v. de baard)

    Zou de man geen voldoening in zijn relatie vinden als de schoonheid van zijn vrouw niet door andere mannen kan worden gezien? (d.m.v. de hoofddoek)
    Voorzeker, Allah gebiedt u rechtvaardig te handelen, het goede te doen en het geven aan de naaste en verbiedt schandelijk gedrag, onrechtvaardigheid en onderdrukking. Hij vermaant u opdat gij er lering uit zult trekken. (Qor’aan 16:90)

  53. blanke hollander
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:12 pm uur.

    @ aklim
    Hoe zit het nu met de gelijkwaardigheid van man en vrouw man en vrouw zijn niet hetzelfde (snapik ook nog wel)
    Man 70 maagden in de hemel Vrouw 70 jonge adonissen?
    Is niet gelijk 70 vrouwen voor de man 70 adonissen voor de vouw wel gelijkwaardig of niet .
    Of heeft allah gereeld dat een vrouw geen behoefte heeft aan sex dus die 70 adoniisen niet nodig heeft kom er maar weer in .

  54. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:16 pm uur.

    LUISTER IK GEEF GEEN KRITIEK OP DE KORAN WAT IS ER MET JOU KUN JE NIET BERIJPELIJK LEZEN OFZO
    LAAT ME EEN TEKST LEZEN WAAR IK KRETIEK OP DE KORAN

    De Nationale Raad voor Vrouwen in Egypte is woedend over een wetsvoorstel dat seks met overleden echtgenotes toestaat.

    Volgens het voorstel mag een man tot zes uur na de dood van zijn vrouw seks met haar hebben. De raad roept het parlement op het voorstel af te keuren.

    De indiener heeft zich mogelijk laten inspireren door de ideeën van een Marokkaanse moslimgeestelijke. Die stelde vorig jaar dat ‘afscheidsseks’ tussen man en vrouw is toegestaan. De kans dat het Egyptisch parlement met het voorstel instemt, wordt klein geacht.

    Scheiding
    De Nationale Raad voor Vrouwen ageert ook tegen een voorstel dat huwelijken met meisjes vanaf veertien jaar legaliseert.

    Vrouwenrechten staan in Egypte onder grote druk, nu een meerderheid van de parlementariërs uit orthodoxe moslims bestaat. Zij willen ook de wet terugdraaien die scheiding op verzoek van de vrouw mogelijk maakt, zonder toestemming van haar man.

    GADVERDAMME ZIEKE MAROKKANEN ZO BEN IK NIET JIJ WEL RACHID JIJ VERWELKOMT ZO’N MENSEN HIER IK BEN TEGEN ZWAAR TEGEN ZO’N VOLK MISBRUIK MAKEN VAN DE KORAN NERGENSSSSSSSSSSSSSSSS STAAT DIT ZOVEEL GELUL KIP ZONDER KOP

    LEES MAAR EERST WAT ER STAAT EN BETREK ME NIET BIJ JOU DOELEINDE OF VISIE IK HOO NIET BIJ JOU

    April 26th, 2012 at 5:41 pm
    aklim22 zegt:

    “Wanneer iemand de zwakheid van een ander in deze wereld verbergt, zal God zijn zwakheid verbergen in het hiernamaals.”

    DENK HIER MAAR EENS OVER NA ZO’N ZOETE WOORDEN

    April 26th, 2012 at 5:44 pm
    aklim22 zegt:

    2.4. Mildheid en geduld tegenover Islamhaters

    De regel zegt dus: wees vriendelijk tegenover alle niet-muslims. Het toepassingsgebied zegt: pas deze regel toe in alle omstandigheden, behalve tegenover diegenen die jullie voor jullie godsdienst vervolgen. Ook volgend vers sluit daarbij aan:

    April 26th, 2012 at 5:45 pm
    aklim22 zegt:

    DUS MOHAMED B ALS JE DIT LEEST JE GAAT BRANDEN IN DE HEL

    April 26th, 2012 at 5:47 pm
    aklim22 zegt:

    Het is God zelf die in de Koran de godsdienstvrijheid instelt:

    “In de godsdienst is er geen dwang.” (Koran, 2:256)
    “Wie het wil, die moet dan geloven en wie het wil, die moet maar ongelovig zijn.” (Koran 18:29)

    Het is Muslims formeel verboden anderen te dwingen zich te bekeren tot de Islam.

    “Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen.” (Koran 88:22-23)

    LEES MAAR DWAAS EN IK BEN ECHT UITGEPRAAT MET JE REAGEER NOOIT MEER OP JE

  55. blanke hollander
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:19 pm uur.

    @ aklim 22
    Nu geen diamant maar een golf gti
    Waarom rijden alle mocro s dan de hele dag rond in hun keurig gepoetse (kan niet anders zeggen )
    bolides. Zon auto zou je toch moeten berijden met een hoes er over heen ?volgens jou

    Het recht om zich te bedekken : laat me niet lachen hier geldt : zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten.Gauw fatima bedekken want achmed fouat hassan zijn net zo dierlijk als ik en willen iedere vrouw bespringen zodra ze de kans krijgen.
    En jij als mensdier bent nu eenmaal genetisch zo geprogrammeerd dat jij je soort wilt voort zetten dus daar hoort geen sperma van een ander mannetje thuis in het gleufje van jouw vrouwtje want dan is er de kans dat jouw soort niet verder gaat.maar die van het andere mannetje.

  56. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:19 pm uur.

    IK STOP MET DEZE SITE SERIEUS IK KAP ERMEE ALTIJD BELEDEGEND NOOIT UITDAGEND OF DISCUSSIE CIAO

  57. aklim22
    Geplaatst op april 26, 2012 om 6:22 pm uur.

    HAHAHA FLAPJANUS JE PRAAT ALTIJD POEP HEERLIJK JE KUNT WINNEN WAAR ZIJN DE 11 DINGEN GA MAAR LEKKER KAPOT VAN BINNEN

  58. Achmed
    Geplaatst op september 28, 2012 om 6:31 pm uur.

    je zwerfers hebben julie niet gemerkt dat jij stinke holander en aklimm of zo de mogool die niets weet onzin uitkramen en allen nog samen praten wat een levenloze dieren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

INGEZONDEN.FOTO'S